De gemeente Cuijk heeft ambtshalve een besluit genomen tot gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning uit 2010 voor een varkenshouderij, waarbij stallen en uitbreidingen betroffen. De vergunninghouder (eiseres) stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was, met name omdat verweerder niet adequaat had onderbouwd welke milieugevolgen de intrekking zou hebben, vooral voor stallen die voldeden aan het Besluit huisvesting.
Verweerder diende een nadere motivering in, waarin werd gesteld dat de emissies van ammoniak, geur, fijn stof en geluid over de volle linie afnemen, wat een milieuwinst betekent. De rechtbank stelde vast dat verweerder bij de ambtshalve intrekking beoordelingsruimte heeft en dat hij de belangenafweging ook mocht baseren op de afname van emissies, ondanks dat het bedrijf na intrekking niet langer voldoet aan het Besluit huisvesting.
De rechtbank concludeerde dat verweerder het gebrek in de tussenuitspraak had hersteld met de aanvullende motivering en belangenafweging. Het beroep van eiseres werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.