ECLI:NL:RVS:2017:3583
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bouwvergunning wegens niet-gebruik binnen vereiste termijn
Bij besluit van 6 april 2009 werd aan appellant een bouwvergunning verleend voor het vergroten van zijn woning, waaronder een dakopbouw, dakkapel en erker. Het college besloot deze vergunning op 18 augustus 2015 in te trekken wegens het niet binnen 26 weken uitvoeren van vergunningplichtige werkzaamheden. Appellant gaf aan dat delen van de bouw vergunningvrij waren en dat hij voorbereidingen trof, maar verrichtte geen daadwerkelijke vergunningplichtige handelingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de intrekking ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het college het vertrouwensbeginsel had geschonden en zijn belangen onvoldoende had meegewogen, onder meer vanwege verborgen gebreken en mededelingen van de gemeente over vergunningvrijheid. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college bevoegd was tot intrekking, dat de periode van 26 weken niet direct voorafgaand aan het besluit hoefde te zijn, en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij binnen korte termijn de vergunning zou benutten.
Verder werd geoordeeld dat het college de belangen van appellant voldoende had betrokken, mede omdat hij ruim twee jaar gelegenheid had gehad om vergunningplichtige werkzaamheden te starten. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen omdat het bezwaar ongegrond was verklaard en het college geen onrechtmatigheid had vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bouwvergunning wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.