In deze zaak betreft het een verzoek van een bewindvoerder en mentor om de beloning voor twee betrokkenen, gehuwd en woonachtig op gescheiden adressen in verschillende gemeenten, afzonderlijk vast te stellen. De kantonrechter heeft eerder de beloning vastgesteld op basis van het feit dat de betrokkenen een economische eenheid vormen vanwege hun huwelijk in gemeenschap van goederen.
De verzoeker stelt dat door het gescheiden wonen en de verschillende gemeenten, de gemeenten de betrokkenen niet als economische eenheid zien, waardoor zij afzonderlijk bijzondere bijstand moeten aanvragen. Ook wijst de verzoeker op praktische problemen bij het openen van aparte rekeningen en het splitsen van financiën.
De kantonrechter benadrukt dat het huwelijk en de gemeenschap van goederen per definitie een economische eenheid vormen volgens de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Alleen bij uitzonderlijke omstandigheden die de omvang van de werkzaamheden beïnvloeden kan de beloning anders worden vastgesteld. De aangevoerde redenen betreffen echter niet extra werkzaamheden van de bewindvoerder en mentor.
De kantonrechter stelt dat het probleem van de gemeenten onderling opgelost moet worden, bijvoorbeeld door het delen van de kosten van bijzondere bijstand. Wel wordt de verzoeker gewezen op de mogelijkheid om een eenmalige extra beloning aan te vragen voor extra overleg met gemeenten en banken, mits dit goed onderbouwd wordt met een urenverantwoording.
Het verzoek tot wijziging van de jaarbeloning wordt daarom afgewezen.