De rechtbank Oost-Brabant heeft in deze bestuursrechtelijke zaak geoordeeld over een omgevingsvergunning voor een agrarisch bedrijf met vleeskuikens. In een eerdere tussenuitspraak was vastgesteld dat de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het exclusieve toetsingskader vormt voor geurhinderbeoordeling en dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat er sprake was van een situatie als bedoeld in BBT 12, ondanks het voldoen aan de afstandsnorm in artikel 3, tweede lid, van de Wgv.
Naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juli 2020, waarin werd bevestigd dat bij voldoen aan de Wgv geen geurbeheersplan vereist is, kwam de rechtbank terug op haar eerdere oordeel. Het herstelbesluit waarin verweerder het bestreden besluit introk en een nieuwe omgevingsvergunning verleende met voorschriften voor een geurbeheersplan, werd vernietigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van eiser tegen het herstelbesluit ongegrond en het beroep van de derde-partij tegen het herstelbesluit gegrond. Hierdoor herleefde het oorspronkelijke bestreden besluit. Tevens veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten van de derde-partij. De uitspraak bevestigt dat het voldoen aan de Wgv voldoende is en dat aanvullende geurbeheersplannen niet zonder meer kunnen worden voorgeschreven.