Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 oktober 2020 in de zaak tussen
[naam], te [woonplaats] , werknemer.
Rechtbank Oost-Brabant
Eiseres, werkgever van werknemer die zich ziek meldde wegens psychische klachten, kreeg van het UWV een loonsanctie opgelegd omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen zou hebben verricht in het tweede spoor. De rechtbank beoordeelde het geschil schriftelijk zonder zitting.
Uit het dossier bleek dat werknemer vanaf juni 2018 weer belastbaar was, maar dat eiseres ten onrechte uitging van marginale belastbaarheid, waardoor re-integratiekansen in het tweede spoor werden gemist. Diverse rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen bevestigden dat vanaf dat moment meer inspanningen verwacht mochten worden, zoals meer uren en sollicitatieactiviteiten.
Eiseres voerde aan dat het verwijt onterecht was uitgebreid en dat de motivatie van het UWV onvoldoende was, maar de rechtbank verwierp deze bezwaren. De loonsanctie werd terecht opgelegd omdat de re-integratieactiviteiten onvoldoende waren en onvoldoende gemotiveerd werd waarom dit het geval was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor.