Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[naam], te [woonplaats] , gemachtigde: mr. T.I.P. Jeltema.
Procesverloop
[adres] te [woonplaats] naar drie woningen.
Overwegingen
Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Toetsingskader6. Vast staat dat verweerder bevoegd is om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° en 2°, van de Wabo, in samenhang bezien met artikel 28.3.3, onder g, van het bestemmingsplan en artikel 4 van Pro bijlage II van het Bor, omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid heeft verweerder beleidsruimte. De rechter toetst of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit om omgevingsvergunning te verlenen heeft kunnen komen.
Mede gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de realisatie van de dakterrassen een zodanige inbreuk maken op de privacy van verzoekers dat verweerder het primaire besluit hierom niet had mogen verlenen.
De voorzieningenrechter heeft het standpunt van verweerder aldus begrepen dat hij het dakterras afzonderlijk beschouwt als een bijbehorend bouwwerk in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor. Ingevolge dit artikel wordt onder bijbehorend bouwwerk verstaan: een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
Nu een dakterras geen dak heeft, kunnen de dakterrassen reeds hierom niet als bijbehorende bouwwerken worden beschouwd. In dit verband wijst de voorzieningenrechter bovendien naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder de uitspraak van 10 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1801, waarin is geoordeeld dat een dakterras geen afzonderlijk bouwwerk, geen gebouw zijnde, is, maar dient te worden aangemerkt als onderdeel van het bestaande gebouw.
Verweerder is wel bevoegd om voor het opheffen van de strijd met het bestemmingsplan gebruik te maken van artikel 4, aanhef en onderdeel 4, van bijlage II bij het Bor. Hierin is bepaald dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken in aanmerking komen een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw. In dit kader wijst de voorzieningenrechter op de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1627.
Nu verweerder dit gebrek kan herstellen bij de heroverweging in bezwaar, ziet de voorzieningenrechter hierin geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
artikel 28.3.3 van het bestemmingsplan gestelde voorwaarden.
Ingevolge artikel 28.3.2 mogen op de gronden als bedoeld in 28.3.1 niet gebouwd worden.
(…)
g. ter plaatse van de aanduiding ‘Overige zone – cultuurhistorisch waardevol 7’ aan [adressen] mag worden gebouwd indien blijkt, dat de cultuurhistorische waarden van de woning, die bestaan uit:
1. de markante ligging, o.a. rooilijn en zichtlijnen, op een hoek van het plein aan de Heuvel;
2. massa, contouren, verhoudingen, materialen en gaafheid van de woning, het ensemble en de eenheid van de woningen;
niet wordt verstoord of vernietigd met in achtneming van het volgende:
- behoud, onderhoud en versterken gaat voor het vernieuwen en ontwikkelen;
- vernieuwen en ontwikkelen geschiedt vanuit en met respect voor de cultuurhistorische waarde.
(…).
Ook anderszins hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat het primaire besluit in strijd is met het Ambitiedocument.
Beslissing
10 november 2020.