ECLI:NL:RBOBR:2020:6460

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 december 2020
Publicatiedatum
22 december 2020
Zaaknummer
19/2737
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens toekenning IVA-uitkering

Verzoekster had beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV waarin haar arbeidsongeschiktheid niet werd gewijzigd. Later kende het UWV haar met terugwerkende kracht een IVA-uitkering toe, waarop verzoekster het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.

De rechtbank oordeelde dat het UWV met het latere besluit volledig aan de bezwaren van verzoekster tegemoet was gekomen, waardoor de procedure werd beëindigd. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kon de rechtbank het UWV veroordelen in de proceskosten van de beroepsfase.

Het UWV verzette zich niet tegen de proceskostenveroordeling en had bovendien toegezegd de kosten van de bezwaarfase en het griffierecht te vergoeden. De rechtbank stelde de proceskostenvergoeding vast op €525, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht voor beroepsmatige rechtsbijstand.

De rechtbank wees erop dat de kosten van een deskundige reeds in een eerdere uitspraak waren toegewezen, zodat hierover in deze procedure niet meer werd beslist. De uitspraak werd gedaan door rechter C.F.E. van Olden-Smit en griffier F.C. Meulemans op 24 december 2020.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €525 aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 19/2737
uitspraak van de rechtbank van 24 december 2020 op het verzoek om een proceskostenveroordeling in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: [naam] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. J.W. van Schaik).

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2019 heeft het UWV vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van verzoekster niet wijzigt.
Bij besluit van 11 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het UWV heeft op 14 oktober 2020 een besluit genomen in de procedure, bij de rechtbank bekend onder SHE 18/1773, waarbij aan verzoekster met ingang van 1 februari 2017 een IVA-uitkering is toegekend.
Gelet op deze ontwikkeling heeft verzoekster het onderhavige beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht het UWV te veroordelen in de proceskosten.
Het UWV heeft bij brief van 16 november 2020 op dit verzoek gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van een overeenkomstige toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om een proceskostenveroordeling.
2. Het UWV is met het besluit van 14 oktober 2020 volledig tegemoet gekomen aan de bezwaren van verzoekster. Als gevolg daarvan heeft verzoekster het beroep ingetrokken. Dat betekent dat de rechtbank het UWV op grond van artikel 8:75a van de Awb in de kosten van de procedure kan veroordelen.
3. Het UWV heeft in zijn brief van 16 november 2020 aangegeven zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de kosten van de beroepsfase.
4. Voor wat betreft de kosten in de bezwaarfase (de indiening van het bezwaarschrift en het verschijnen op de hoorzittingen) heeft het Uwv toegezegd deze kosten te vergoeden. De rechtbank zal hierover dan ook geen beslissing nemen.
5. De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten die verzoekster heeft gemaakt in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).
6. In de uitspraak in de zaak SHE 18/1773 heeft de rechtbank het UWV veroordeeld in de kosten van de door verzoekster ingeschakelde deskundige, zodat de rechtbank daarover in deze zaak niet meer hoeft te oordelen.
7. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat het UWV het griffierecht aan verzoekster moet vergoeden, omdat het beroep is ingetrokken omdat het UWV geheel aan verzoekster is tegemoetgekomen. Verweerder heeft in de brief van 16 november 2020 ook toegezegd het griffierecht te zullen vergoeden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 525.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F.E. van Olden-Smit, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.C. Meulemans, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op
24 december 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.