Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2020 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder
Procesverloop
24 september 2019.
[naam] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die vergezeld was van taxateur W. Lemckert. Ten aanzien van de brief van verweerder gedateerd 18 december 2019, ingekomen op de zevende dag voor de zitting, althans voor zover de rechtbank dat kan zien, heeft de rechtbank op de zitting na bezwaar zijdens eiser bepaald dat deze buiten beschouwing wordt gelaten.
Overwegingen
Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen.”. Eisers gemachtigde voert aan dat uit dit wetsartikel blijkt dat het verweerschrift binnen vier weken na indiening van het beroepschrift had moeten worden ingediend. Artikel 8:58 van Pro de Awb is volgens eisers gemachtigde niet van toepassing; een verweerschrift is geen ‘nader stuk’ dat tot tien dagen voor de zitting kan worden ingediend. Op een vraag van de rechtbank deelde eisers gemachtigde mee dat hij is benadeeld in zijn procespositie, omdat hij niet meer had kunnen overleggen met zijn taxateur.
8 september 1993 (ECLI:NL:HR:1993:ZC5446), bevestigd in ECLI:NL:HR:2010:BL7268. Ter illustratie verwijst de rechtbank nog naar het arrest van gerechtshof Den Haag van
30 oktober 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:2863). In zoverre heeft verweerders taxateur dan ook aanvankelijk een onjuiste maatstaf aangelegd. In zijn op de zitting van 7 januari 2020 overgelegde waardematrix heeft verweerders taxateur echter wel de juiste maatstaf aangelegd. Met hantering van de juiste maatstaf op dit punt ziet de rechtbank gezien de waardematrix nog geen aanleiding te oordelen dat verweerder niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
16 december 2019. Eiser heeft als vergelijkingsobjecten gebruikt [adres] en [adres] en [nummer] , drie appartementen gelegen in [plaats] in de wijk [naam] . De vergelijkingsobjecten zijn verkocht minder dan een jaar van de waardepeildatum en eisers taxateur heeft de koopsommen geïndexeerd naar de waardepeildatum. Eisers taxateur heeft vervolgens, zo is op de zitting verklaard, het aandeel onderhoudsreserve in de VvE uit de koopsommen gehaald en het resterende bedrag toegerekend aan de objectonderdelen. De objectonderdelen zijn uitgesplitst en inzichtelijk is welke waarde aan de diverse objectonderdelen is toegekend. In zoverre berust eisers waardeonderbouwing niet op onjuiste uitgangspunten. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat eiser met zijn taxatiekaart niet voldoende inzicht heeft geboden in zijn waardeopbouw, gelet op het volgende.
7 januari 2020 komen voor vergoeding in aanmerking (€ 525). Het betreft kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs extra heeft moeten maken als gevolg van het handelen van verweerder. De zaak is inhoudelijk pas op de zitting van
7 januari 2020 besproken.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525.
mr. drs. H.M.G. Duijsters, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op
10 februari 2020
.