Verzoeker, gedetineerd in een penitentiaire inrichting, diende een wrakingsverzoek in tegen drie rechters die betrokken waren bij zijn strafzaak. Het verzoek was gebaseerd op vermeende inconsistenties en tegenstrijdigheden in beslissingen over voorlopige hechtenis, waarbij een medeverdachte met een vergelijkbare tenlastelegging werd geschorst, terwijl verzoeker vastgehouden bleef.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413), waarin is bepaald dat een rechter moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid opleveren. De motivering van de beslissingen van 3 december 2020 toonde geen blijk van vooringenomenheid.
De wrakingskamer concludeerde dat verschillen in beslissingen over voorlopige hechtenis tussen verschillende verdachten geen objectieve grond vormen voor vrees van vooringenomenheid. Er waren geen feiten of omstandigheden die de vrees van vooringenomenheid rechtvaardigden.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing werd op 9 december 2020 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant.