ECLI:NL:RBOBR:2021:135
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op toekenning uitloopperiodiek wegens onvoldoende beoordeling functioneren
Eiser, sinds 2003 in dienst bij de werkgever, werkt sinds 2015 in een combinatie van functies en ontving een beoordeling met het eindoordeel 'voldoende'. Hij vordert een uitloopperiodiek op grond van een vermeend beter functioneren, mede vanwege vervanging van collega’s en het verrichten van twee functies. De rechtbank beoordeelt dat de beoordeling niet op onvoldoende gronden berust en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn functioneren structureel boven de norm was.
De rechtbank legt uit dat de criteria voor toekenning van een uitloopperiodiek vereisen dat het functioneren overwegend 'goed' moet zijn, hetgeen een hoger prestatieniveau dan 'voldoende' inhoudt. De uitleg van de beoordelingscriteria en de werkwijze bij verschil van inzicht worden besproken, waarbij de rechtbank oordeelt dat eiser het voordeel van de twijfel niet automatisch toekomt bij een verschil van mening over de beoordeling.
Verder constateert de rechtbank een bevoegdheidsgebrek bij het bestreden besluit, maar dit is hersteld door het college. Ook is sprake van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek dat in beroep is gerepareerd, waardoor eiser niet langer benadeeld is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt het college in de proceskosten en draagt het griffierecht aan eiser te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en hij krijgt geen uitloopperiodiek toegekend.