ECLI:NL:RBOBR:2021:136
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op toekenning uitloopperiodiek wegens onvoldoende beoordeling
Eiser, werkzaam als senior gegevensbeheerder bij de werkgever, vordert toekenning van een uitloopperiodiek terugwerkende kracht. De beoordeling van zijn functioneren over 2018 is vastgesteld op 'voldoende', terwijl eiser stelt dat dit 'goed' of hoger had moeten zijn vanwege extra taken en prestaties.
De rechtbank analyseert de toepasselijke regelgeving, waaronder artikel 16 van Pro de Regeling overgangsrecht hoofdstuk 3 CAR Best 2016 en de nota Criteria toekenning uitloopperiodiek. De beoordeling moet overwegend 'goed' zijn om een uitloopperiodiek toe te kennen. De rechtbank volgt de uitleg van verweerder dat 'goed' betekent dat het functioneren structureel boven de norm moet zijn, inclusief functieoverschrijdende resultaten en ondernemerschap.
Hoewel eiser extra taken heeft vervuld, heeft hij andere taken laten liggen, waardoor het totaalbeeld onvoldoende is voor een hogere beoordeling. De rechtbank constateert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn beoordeling op onvoldoende gronden berust. Tevens is een bevoegdheidsgebrek bij het besluit hersteld, en ondanks een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek is eiser hierdoor niet benadeeld. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het betaalde griffierecht wordt vergoed en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser op toekenning van een uitloopperiodiek wordt ongegrond verklaard.