Eiser, werkzaam bij de Douane Eindhoven, tekende een vaststellingsovereenkomst (vso) voor ontslag met toekenning van een stimuleringspremie, waarbij de directeur Douane de vso zou ondertekenen namens de staatssecretaris. Later bleek dat de directeur niet bevoegd was de vso te tekenen en werd deze niet ondertekend door de plaatsvervangend secretaris-generaal (pSG). Eiser verzocht om een formeel besluit, waarna de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaarde.
De rechtbank beoordeelde het beroep op het vertrouwensbeginsel en stelde vast dat toezeggingen en gedragingen van de Douane aan de staatssecretaris konden worden toegerekend. Eiser mocht erop vertrouwen dat de vso geldig was, mede doordat hij felicitaties ontving en voorbereidingen voor zijn vertrek werden getroffen. De rechtbank vond dat het algemeen belang van voldoende douanepersoneel niet concreet werd onderbouwd om het vertrouwen te doorbreken.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf de staatssecretaris zes weken om een nieuw besluit te nemen, waarbij partijen werd aangeraden tot overleg te komen over een financiële oplossing. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.