ECLI:NL:RBOBR:2021:2165
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde serviceflat met correctie voor imago en servicekosten
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een appartement in een serviceflat te [woonplaats 1], vastgesteld op €296.000 per 1 januari 2017 voor het belastingjaar 2018. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €225.000 voor, verwijzend naar de verkoopprijzen van vergelijkbare objecten en een makelaarsadvies.
De rechtbank overweegt dat bij de waardering van serviceflats geen rekening wordt gehouden met persoonsgebonden servicekosten, maar wel met gebouwgebonden servicekosten. Daarnaast is het specifieke negatieve imago van serviceflats en de beperkte kring van gegadigden van belang, wat tot lagere marktprijzen leidt dan bij vergelijkbare appartementen.
De heffingsambtenaar heeft vier vergelijkingsobjecten aangevoerd die qua ligging, onderhoud en voorzieningen vergelijkbaar zijn en vergelijkbare gebouwgebonden servicekosten kennen. Op basis hiervan is een neerwaartse correctie toegepast op de prijs per kubieke meter, waarmee het negatieve imago en de beperkte markt zijn verdisconteerd.
De rechtbank acht de onderbouwing van de heffingsambtenaar voldoende en wijst het beroep af, omdat eiser zijn lagere waarde niet aannemelijk heeft gemaakt. De WOZ-waarde van €296.000 blijft gehandhaafd.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en de uitspraak is gedaan door rechter A.F. Vink op 29 april 2021.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de WOZ-waarde van €296.000 en verklaart het beroep ongegrond.