Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
einduitspraak van de meervoudige kamer van 19 mei 2021 in de zaken tussen
[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres 1
[naam 2] , [naam 3] en [naam 4] te [vestigingsplaats] en
Procesverloop
Overwegingen
- De rechtbank is van oordeel dat in de weigering 2018 onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe de vereiste bestuurlijke afweging als bedoeld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (in de tussenuitspraak wordt abusievelijk gesproken over de voorgaande Circulaire industrielawaai en vergunningverlening) is verlopen en hoe verweerder tot de uiteindelijke uitkomst van de belangenafweging is gekomen.
- Uit de Handreiking blijkt dat de richtwaarden geen grenswaarden zijn. Verweerder kan na een bestuurlijk afwegingsproces afwijken van deze richtwaarden. De rechtbank is van oordeel dat in de weigering 2019 onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe deze bestuurlijke afweging om niet af te wijken van de richtwaarden in de Handreiking is verlopen en waarom verweerder tot de uiteindelijke uitkomst van de belangenafweging is gekomen.
Beslissing
- verklaart het beroep van eisers 2 niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen van eiseres 1 gegrond;
- vernietigt de weigering 2018, de weigering 2019, het herstelbesluit 2018/2021 en het herstelbesluit 2019/2021;
- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen van eiseres 1, met inachtneming van deze uitspraak, binnen zes maanden na de dag van verzending van deze uitspraak;
- draagt verweerder op de betaalde griffierechten van € 683,00 aan eiseres 1 te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 1 tot een bedrag van € 3.738,00.