De rechtbank Oost-Brabant behandelde het beroep van een melkveehouder tegen een bestuurlijke boete van de minister van Landbouw wegens overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en de fosfaatgebruiksnorm in 2017.
De minister legde aanvankelijk een boete van €61.955,- op, die na bezwaar werd verlaagd naar €53.200,-. De boete was gebaseerd op vaststellingen van begin- en eindvoorraden meststoffen, waarbij de minister gebruik maakte van analyses van mestmonsters en de door eiser opgegeven gegevens. Eiser betwistte de gehanteerde stikstof- en fosfaatgehalten en de vaststelling van de mestvoorraden, en stelde dat marges toegepast hadden moeten worden vanwege meetonnauwkeurigheden.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht uitging van de best beschikbare analysecijfers en dat de beginvoorraad als hard gegeven moet worden beschouwd zonder marges. De correcties in de boeteberekening leidden tot een lagere boete dan oorspronkelijk opgelegd, wat in het voordeel van eiser was. Hoewel er procedurele onzorgvuldigheden waren, waaronder een foutieve datum en ontbrekende stukken, was eiser niet in zijn procespositie geschaad. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.