Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2024 op het hoger beroep van:
(gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De landbouwer exploiteert een melkveebedrijf en werd door toezichthouders van de NVWA gecontroleerd op naleving van de Meststoffenwet over 2017. De minister legde op basis van een rapport een boete op wegens overschrijding van de gebruiksnormen voor dierlijke mest en fosfaat, en wegens het niet naar waarheid invullen van een formulier. De landbouwer stelde dat de minister de beginvoorraad meststoffen onjuist had vastgesteld en dat de boete gematigd moest worden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat de minister de beginvoorraad correct had vastgesteld volgens de regelgeving en dat er geen aanleiding was tot matiging van de boete. Het College van Beroep bevestigt deze beoordeling. De minister gebruikte de best beschikbare gegevens, namelijk de gemiddelde gehalten van afgevoerde mest, en rekende met door de landbouwer zelf opgegeven hoeveelheden. De landbouwer leverde geen betrouwbaar bewijs dat deze berekening onjuist was.
Ook het beroep op matiging van de boete wegens disproportionaliteit en overschrijding van de redelijke termijn slaagt niet. De boete is vastgesteld conform de wettelijke bepalingen en het handhavingsbeleid. De overschrijding van de redelijke termijn is reeds gematigd door de minister, waardoor geen verdere matiging wordt toegepast. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete wegens overschrijding van meststoffen- en fosfaatgebruiksnormen wordt bevestigd.