ECLI:NL:RBOBR:2021:4005
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waardebepaling woningen in Rosmalen per 1 januari 2019
Eiser is eigenaar van vier woningen in Rosmalen en betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarden per waardepeildatum 1 januari 2019. De heffingsambtenaar stelde de waarden vast op respectievelijk € 278.000 voor drie tussenwoningen en € 295.000 voor een hoekwoning. Eiser vorderde lagere waarden van € 190.000 en € 199.000.
Tijdens de zitting verzocht eiser om het verweerschrift en de taxatierapporten van de heffingsambtenaar buiten beschouwing te laten wegens vermeende te late indiening, maar dit verzoek werd afgewezen omdat de stukken tijdig waren ingediend en eiser voldoende gelegenheid had zich voor te bereiden.
De rechtbank oordeelde dat de door de heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten zeer goed vergelijkbaar waren en dat de verkoopcijfers, hoewel meer dan een jaar verwijderd van de waardepeildatum, adequaat waren geïndexeerd en bruikbaar. De rechtbank wees het bewijsaanbod van eiser af om na de zitting alsnog aankoopstukken over te leggen, omdat eiser voldoende gelegenheid had gehad dit eerder te doen.
De rechtbank concludeerde dat eiser de door hem voorgestelde lagere waarden niet aannemelijk had gemaakt en dat de vastgestelde WOZ-waarden niet te hoog waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarden van de woningen wordt ongegrond verklaard.