De maatschap ontving subsidie op grond van de Beleidsregeling Verplaatsing Intensieve Veehouderijen 2005 (VIV) voor het verplaatsen van haar varkenshouderij uit een kwetsbaar gebied naar een geschikte locatie. Na vaststelling van de subsidie in 2015 en 2017 trok het college van GS Noord-Brabant deze besluiten in en stelde de subsidie op nihil, waarna de reeds uitbetaalde subsidie van ruim 1 miljoen euro werd teruggevorderd.
De rechtbank oordeelt dat de maatschap niet heeft voldaan aan de subsidievoorwaarden omdat de varkenshouderij niet daadwerkelijk is verplaatst. Uit het strafrechtelijk onderzoek bleek dat de pachtovereenkomst, voergeldovereenkomst en overeenkomst van opdracht met bijbehorende facturen valselijk waren opgemaakt om een verplaatsing voor te wenden, terwijl de exploitatie en het economische risico bij de oorspronkelijke locatie bleven. Dit zogenaamde kasrondje leidde tot onrechtmatige subsidieverstrekking.
De maatschap voerde verjaring aan, maar de rechtbank stelt vast dat de verjaringstermijn pas aanvangt bij de subsidievaststellingsbesluiten in 2015 en 2017, zodat intrekking en terugvordering tijdig zijn. Ook het beroep op een alternatieve subsidieregeling (BIV) faalt omdat geen aanvraag daarvoor is ingediend.
De rechtbank bevestigt dat het college bevoegd was de subsidievaststellingsbesluiten in te trekken en de subsidie terug te vorderen op grond van de Algemene wet bestuursrecht. De belangenafweging weegt het algemene belang van correcte subsidieverstrekking en fraudebestrijding zwaarder dan het persoonlijke belang van de maatschap. Het beroep wordt ongegrond verklaard.