Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Vonnis van 21 oktober 2021
Rechtbank Oost-Brabant
In deze zaak vordert eiser tegen Dexia Nederland B.V. vanwege een effectenleaseovereenkomst uit 1999. De kantonrechter komt terug op een voorlopig oordeel dat het door de tussenpersoon aan Dexia sturen van de ondertekende overeenkomst als doorgeven van een order kon worden beschouwd. Uit het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden volgt dat Dexia zelf de inhoud en voorwaarden van de overeenkomst bepaalde en de tussenpersoon slechts een ondersteunende rol vervulde, waardoor geen sprake was van een orderremisier.
Ten aanzien van de zorgplichten van Dexia wordt geoordeeld dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat Dexia haar onderzoeksplicht naar zijn financiële positie heeft geschonden. De betalingsverplichting uit de effectenleaseovereenkomst vormde geen onaanvaardbaar zware last. Wel staat vast dat Dexia haar waarschuwingsplicht niet is nagekomen, waardoor zij onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld.
Dexia dient daarom tweederde van de restschuld te dragen, maar aangezien zij al tot terugbetaling is overgegaan, is zij niets meer verschuldigd. Overige vorderingen van eiser, waaronder terugbetaling van andere bedragen en buitengerechtelijke kosten, worden afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitgesproken door kantonrechter Verhappen op 21 oktober 2021.
Uitkomst: Dexia heeft onrechtmatig gehandeld door haar waarschuwingsplicht niet na te komen en dient tweederde van de restschuld te dragen, overige vorderingen worden afgewezen.