Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.[eiser sub 1]
Dexia Nederland B.V.,
Rechtbank Oost-Brabant
Eisers hebben een civiele procedure aangespannen tegen Dexia Nederland B.V. over effectenleaseovereenkomsten uit 1999 en 2001. De kantonrechter kwam in een tussenvonnis tot een voorlopig oordeel dat het retourneren van ondertekende contracten door de tussenpersoon als doorgeven van orders kon worden gezien. Dexia betwistte dit en voerde aan dat zij de leiding had bij het tot stand komen van de overeenkomsten, en dat de tussenpersoon slechts een ondersteunende rol vervulde.
De kantonrechter wijkt af van het voorlopige oordeel en oordeelt dat het door de tussenpersoon aan Dexia sturen van de overeenkomsten niet kan worden aangemerkt als het doorgeven van orders. Vervolgens beoordeelt de rechtbank de zorgplichten van Dexia, waarbij wordt vastgesteld dat Dexia haar onderzoeksplicht niet heeft geschonden, omdat eisers onvoldoende hebben onderbouwd dat de overeenkomsten een onaanvaardbare financiële last vormden.
Wel is vastgesteld dat Dexia haar waarschuwingsplicht heeft geschonden, wat onrechtmatig handelen jegens eisers oplevert. Voor een van de overeenkomsten is een restschuld ontstaan waarvan Dexia tweederde dient te dragen, maar deze schade is reeds vergoed. Andere vorderingen en buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door kantonrechter H.T.J.F. Verhappen en op 21 oktober 2021 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Dexia handelt onrechtmatig door niet-nakoming van waarschuwingsplicht; overige vorderingen afgewezen; eisers veroordeeld in proceskosten.