Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Vonnis van 21 oktober 2021
Rechtbank Oost-Brabant
In deze zaak vordert eiser tegen Dexia Nederland B.V. vanwege geschillen omtrent effectenleaseovereenkomsten gesloten in 1998 en 2001. De kantonrechter komt terug op een eerder voorlopig oordeel dat het door de tussenpersoon aan Dexia sturen van de ondertekende overeenkomsten als doorgeven van orders kon worden aangemerkt. Uit het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden volgt dat Dexia zelf de leiding had bij het tot stand komen van de overeenkomsten en dat de tussenpersoon slechts een ondersteunende rol vervulde, waardoor geen sprake is van orderremissie.
De kantonrechter beoordeelt vervolgens de zorgplichten van Dexia, waaronder de onderzoeksplicht en waarschuwingsplicht. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat Dexia haar onderzoeksplicht heeft geschonden of dat de financiële lasten onaanvaardbaar zwaar waren. Wel staat vast dat Dexia haar waarschuwingsplicht niet is nagekomen, wat onrechtmatig handelen oplevert. Omdat Dexia reeds een vergoeding heeft betaald voor de restschuld, is zij niets meer verschuldigd aan eiser.
De overige vorderingen van eiser, waaronder terugbetaling van andere bedragen en een verklaring omtrent advies door de tussenpersoon, worden afgewezen. Ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden niet toegewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van Dexia. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard ten aanzien van de proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Dexia heeft onrechtmatig gehandeld door haar waarschuwingsplicht te schenden, maar overige vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.