Eiser ontving vanaf 1 juni 2016 een prepensioen en vanaf 1 mei 2020 een WW-uitkering. Het UWV bracht het prepensioen maandelijks in mindering op de WW-uitkering. Eiser maakte bezwaar en stelde dat er sprake is van een uitzonderingssituatie volgens artikel 3:5, vijfde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB), omdat hij geen verlies van arbeidsuren had en hij onredelijk werd gekort ondanks het betalen van premies.
De rechtbank overweegt dat de uitzondering in artikel 3:5, vijfde lid, AIB restrictief moet worden uitgelegd en vereist dat het prepensioen samenhangt met een eerder verlies van arbeidsuren. Dit is niet het geval bij eiser, wiens dienstverband niet was gewijzigd toen het prepensioen inging. De rechtbank volgt het UWV en de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.
Verder oordeelt de rechtbank dat de wet- en regelgeving geen ruimte laat voor een andere interpretatie of ontheffing vanwege onredelijke financiële gevolgen. Het is aan de wetgever om eventuele negatieve effecten te corrigeren. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV blijft in stand.