Uitspraak
OVERWEGINGEN
WW-uitkering van appellant.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was na 25 jaar bij een werkgever werkzaam bij een andere stichting en ontving vanaf 2011 een prepensioen uit het eerdere dienstverband. Na beëindiging van het dienstverband bij de stichting vroeg hij een WW-uitkering aan. Het UWV bracht het prepensioen in mindering op de WW-uitkering, omdat het prepensioen niet samenhing met dezelfde dienstbetrekking als waaruit de werkloosheid was ontstaan.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het prepensioen terecht werd verrekend. In hoger beroep betoogde appellant dat de regels onredelijk zijn en dat het prepensioen niet in mindering mocht worden gebracht, verwijzend naar een brief van de minister.
De Raad overwoog dat artikel 3:5 van Pro het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) restrictief moet worden uitgelegd en dat de uitzondering op verrekening alleen geldt als het prepensioen samenhangt met dezelfde dienstbetrekking als waaruit de werkloosheid is ontstaan. Dit was niet het geval bij appellant, zodat het UWV terecht het prepensioen verrekende. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het prepensioen wordt terecht in mindering gebracht op de WW-uitkering.