ECLI:NL:RBOBR:2021:5811
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Recht op huurkorting wegens onvoorziene omstandigheden door coronamaatregelen
De zaak betreft een geschil tussen verhuurders en een huurder van een bedrijfsruimte, waarbij de verhuurders ontbinding van de huurovereenkomst en betaling van achterstallige huur vorderden. De huurder betwistte dit en vorderde een huurkorting vanwege de overheidsmaatregelen tijdens de coronapandemie.
De rechtbank constateert dat de huurder een huurachterstand had, maar deze inmiddels heeft voldaan, waardoor ontbinding en ontruiming worden afgewezen. De rechtbank erkent dat de coronamaatregelen een onvoorziene omstandigheid vormen in de zin van artikel 6:258 BW Pro, die een fundamentele verstoring van het contractuele evenwicht veroorzaken.
Op basis van omzetcijfers en de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) wordt vastgesteld dat de huurder recht heeft op een huurkorting van gemiddeld 50% over de periode van 15 december 2020 tot en met 28 april 2021. De huurovereenkomst wordt met terugwerkende kracht aangepast en de verhuurders worden veroordeeld tot terugbetaling van te veel betaalde huur en wettelijke rente.
Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten gematigd en toegewezen aan de verhuurders, en worden proceskosten verdeeld conform de uitkomst van het geschil.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt met terugwerkende kracht aangepast en de huurder krijgt recht op huurkorting, terwijl ontbinding en ontruiming worden afgewezen.