Conclusie
Toerekening aan de huurder (4.11)
Toerekening aan de huurder krachtens rechtshandeling (4.14)
Toerekening aan de huurder krachtens de wet (4.19)
Toerekening aan de huurder overigens (4.23)
(i) Een de huurder persoonlijk betreffende omstandigheid; AKU/Stalen Steiger (4.24.1)
(ii) Wettelijke voorschriften die een bepaald gebruik van de zaak verbieden (4.26.1)
(iii) Tegenvallende bezoekersaantallen (4.27.1)
(iv) De positie van de verhuurder (4.28.1)
(v) De gehuurde zaak of de exploitatie daarvan (4.30)
Standpuntbepaling (4.34)
Beantwoording van de vragen 1 en 2 (4.44)
1.Inleiding en samenvatting
Behoudens een afwijkende contractuele regeling, is een gedwongen sluiting van de horeca in verband met de coronapandemie in beginsel aan te merken als een niet volledig aan de huurder toe te rekenen omstandigheid waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat de huurder mag verwachten, zodat in zoverre sprake is van een gebrek in de zin van art. 7:204 lid 2 BW Pro (
vraag 1). De rechtsgevolgen hiervan voor wat betreft de verschuldigdheid van de huurprijs dienen te worden beoordeeld aan de hand van (art. 7:207 BW Pro in verbinding met) art. 6:258 BW Pro (
vraag 2).
Ten aanzien van vóór de coronacrisis gesloten overeenkomsten voor de huur van bedrijfsruimten waarbij de huurder voor diens omzet in het gehuurde afhankelijk is van de komst van het publiek, zoals bij horeca en winkels, kan als uitgangspunt worden aangenomen dat de coronapandemie en haar gevolgen (de coronacrisis) een onvoorziene omstandigheid is die kan meebrengen dat de verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst mag verwachten (
vraag 3).
De aan de coronacrisis te verbinden gevolgen voor de ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst zijn afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De coronacrisis kan in beginsel leiden tot een tijdelijke huurprijsvermindering die is gebaseerd op het nadeel dat de huurder lijdt als gevolg van het aan de coronacrisis toe te rekenen, voldoende ernstige omzetverlies van de huurder in de gehuurde zaak. Bij de bepaling van het nadeel kan het door de huurder ter zake van het gehuurde ontvangen bedrag aan Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) worden verdisconteerd op de wijze van Hof Amsterdam 14 september 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2728. Als uitgangspunt dient het bedoelde nadeel gelijkelijk (50/50) tussen verhuurder en huurder te worden verdeeld. Omstandigheden die als zodanig losstaan van de verstoring van het contractuele evenwicht tussen de prestaties van verhuurder en huurder bij de huur van bedrijfsruimte door de coronacrisis, kunnen een afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen (
vraag 4).
2.Feiten en procesverloop
Hieraan heeft [verzoeker] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] exploiteert diverse horecagelegenheden in [plaats] . Hij is als ondernemer dus ook zwaar getroffen door de coronamaatregelen. [verzoeker] is zelf eigenaar van de panden waarin hij de horecagelegenheden exploiteert. De hypotheeklasten van die panden lopen gewoon door. Doordat [verzoeker] als pandeigenaar dient bij te dragen in het voorstel van Heineken, ondersteunt hij zijn concurrent [A] die een paar deuren verder gevestigd is, terwijl hij zelf geen huurkorting krijgt, maar wel de hypotheeklasten moet blijven voldoen. [A] daarentegen draagt zelf niet bij in de huur voor de betreffende twee maanden. Bovendien blijkt nergens uit dat [A] bij Heineken heeft verzocht om een huurkorting. Heineken loopt aldus uit zichzelf “cadeautjes” uit te delen. [verzoeker] daarentegen is eenvoudigweg geconfronteerd met de mededeling van Heineken dat één maand huur door Heineken niet betaald zou gaan worden. [verzoeker] is het niet eens met deze eenzijdig opgelegde huurkorting - van overleg is geen sprake geweest - waardoor hij feitelijk gedwongen wordt een maand huur kwijt te schelden aan Heineken.
3.Afbakening en verkenning
vragen 1 en 2met betrekking tot art. 7:204 BW Pro hebben specifiek betrekking op de door de overheid verplichte sluiting van de horeca als gevolg van de coronacrisis. Ik beperk mijn bespreking van art. 7:204 BW Pro tot dat geval, maar zal concluderen dat de gebreksdiscussie ook in andere gevallen speelt.
vragen 3 en 4met betrekking tot art. 6:258 BW Pro kunnen in dezelfde zin als de vragen 1 en 2 worden opgevat, maar dwingend is dit niet. De kantonrechter verwijst immers ook naar de schade van de coronamaatregelen voor winkeliers en acht het stellen van vragen ook van belang in verband met soortgelijke kwesties (rov. 4.5). Ik denk dat er reden is om de bespreking van de vragen 3 en 4 niet te beperken tot de verplichte sluiting van de horeca. In de praktijk is er immers behoefte aan meer duidelijkheid over de juridische gevolgen van de coronacrisis voor huurders van bedrijfsruimten die voor hun omzet afhankelijk zijn van de komst van het publiek. [3] De bespreking van art 6:258 BW Pro betreft daarom niet alleen de horeca, maar in beginsel bedrijfsruimten in de zin van art. 7:290 BW Pro, [4] in het bijzonder de horeca en de detailhandel (hiermee is overigens niet bedoeld dat het probleemveld exact kan worden afgebakend aan de hand van de omschrijving van ‘middenstandsbedrijfsruimte’ in art. 7:290 BW Pro, al was het maar omdat de daarin opgenomen wettelijke definitie niet is geschreven met het oog op de coronacrisis). De bespreking betreft voorts niet alleen het geval van door de overheid opgelegde bedrijfssluiting. De in art. 6:258 BW Pro bedoelde ‘onvoorziene omstandigheid’ die inwerkt op het contractuele evenwicht is in beginsel de coronacrisis, dat wil zeggen de coronapandemie met haar gevolgen in het algemeen. [5]
vragen 2 en 4zo op dat zij niet alleen betrekking hebben op de relevante gezichtspunten voor de financiële vertaling van de aanwezigheid van een ‘gebrek’ of van ‘onvoorziene omstandigheden’, maar ook ruimte laten voor eventuele suggesties voor percentages die in dit verband gehanteerd zouden kunnen worden en voor de verdiscontering van overheidssteun. [6] Dergelijke suggesties bieden de praktijk een handvat, een en ander uiteraard onder het voorbehoud dat elk geval op zijn merites beoordeeld moet worden zodat afwijking ervan steeds mogelijk is.
(i) De Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren Covid 19 (TOGS) betreft een eenmalige forfaitaire tegemoetkoming van € 4.000,-, als noodvoorziening naast de overige regelingen, voor (MKB)ondernemers die direct getroffen zijn door overheidsmaatregelen ter bestrijding van de coronacrisis.
(ii) De Tijdelijke Overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo) ondersteunt zelfstandige ondernemers in financiële problemen door middel van een aanvullende uitkering voor levensonderhoud tot het sociaal minimum en/of een lening voor bedrijfskapitaal ter oplossing van liquiditeitsproblemen.
(iii) De Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) voorziet in een tegemoetkoming tot een bepaald maximum in de loonkosten van werkgevers, gerelateerd aan het omzetverlies (dat minimaal 20% dient te zijn). Beoogd is dat werknemers met een vast of een flexibel contract in dienst gehouden kunnen worden. [19] (iv) De Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL).
4.De gebrekenregeling
vragen 1 en 2betreffen de toepasselijkheid en toepassing van de gebrekenregeling. Indien de als gevolg van de coronacrisis van overheidswege opgelegde sluiting van de horeca een gebrek in de zin van art. 7:204 lid 2 BW Pro oplevert, dan heeft de huurder in beginsel recht op een met de vermindering van het huurgenot evenredige vermindering van de huurprijs. [34] Of sprake is van een gebrek, is afhankelijk van de hierna te bespreken vragen of een dergelijke overheidsmaatregel het genot van de zaak aantast dan wel behoort tot de risicosfeer van de huurder c.q. moet worden aangemerkt als een feitelijke stoornis door derden zonder bewering van recht in de zin van art. 7:204 lid 3 BW Pro.
. [42] Het begrip gebrek heeft een ruime strekking. Volgens HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7337, [43] biedt de tekst van art. 7:204 lid 2 BW Pro noch de wetsgeschiedenis een aanknopingspunt voor een enge uitleg van het begrip gebrek. Daarbij wees de Hoge Raad op de volgende passages uit de parlementaire geschiedenis:
eenhuurder ten aanzien van
eengoed onderhouden zaak van de soort als is verhuurd. Deze objectivering beoogt te bewerkstelligen dat de huurder aanspraak kan maken op een huurobject van behoorlijke kwaliteit. Dat is vooral van belang voor woonruimte, waarvoor de regeling van semi-dwingend recht is (art. 7:242 BW Pro). Hiermee beoogt de wetgever vooral de kwaliteit van het woningbestand te bevorderen. [44] Bij huur van bedrijfsruimte kunnen partijen echter afwijken van de wettelijke definitie van een gebrek, [45] zodat de vraag kan worden gesteld welk genot
dezehuurder redelijkerwijs van
ditobject mag verwachten. Ook bij deze aan de hand van de Haviltexmaatstaf te beantwoorden uitlegvraag zullen echter algemene verwachtingspatronen een rol kunnen spelen, voor zover partijen geen daarvan afwijkende regeling hebben getroffen. [46]
verhuurderkan worden toegerekend. [47] Dit is in het overeenkomstenrecht op zichzelf een bekend verschijnsel (denk aan resultaatsverbintenissen) en komt bijvoorbeeld ook terug in de regeling van de conformiteit bij koop (art. 7:17 BW Pro).
Toerekenbaarheid aan de verhuurder kan wel van belang zijn bij de remedies bij een gebrek. Ook in dit opzicht sluit de gebrekenregeling aan bij de uitgangspunten van het algemene verbintenissenrecht ten aanzien van schadevergoeding, ontbinding en (nadere) nakoming. Toerekenbaarheid aan de verhuurder van een gebrek is, kort gezegd, wel een voorwaarde voor schadeplichtigheid van de verhuurder (art. 7:208 BW Pro; vgl. art. 6:74 en Pro 6:75 BW), maar geen voorwaarde voor een vordering van de huurder tot evenredige huurprijsvermindering, [48] een vorm van gedeeltelijke ontbinding (art. 7:207; vgl. art. 6:265 en Pro 6:270 BW), [49] en evenmin voor de herstelplicht van de verhuurder binnen de grenzen van het redelijkerwijs mogelijke (art. 7:206; vgl. art: 3:296 en 7:21 BW). Bij gebreken in verband met de coronacrisis zal op de verhuurder normaliter geen herstelplicht (art. 7:207 lid 1 BW Pro) of schadevergoedingsplicht (art. 7:208 BW Pro) rusten. [50] Voor een recht op huurprijsvermindering is niet vereist dat de verhuurder tot herstel verplicht is of in verzuim is met het verhelpen van het gebrek. [51]
huurderzijn toe te rekenen. Dit volgt in de eerste plaats uit art. 7:204 lid 2 BW Pro. Verder worden door wetsduiding de in art. 7:204 lid 3 BW Pro bedoelde genotsbeperkingen voor risico van de huurder gebracht.
Voorts bepalen de art. 7:206 en Pro 7:207 BW dat de huurder geen aanspraak heeft op herstel of huurprijsvermindering ter zake van gebreken die hij zelf moet herstellen (vgl. art. 7:217 BW Pro) of voor het ontstaan waarvan hij jegens de verhuurder aansprakelijk is (vgl. art. 7:218-219 BW). Voor zover hierdoor sprake is van minder genot dan de huurder mag verwachten, is de oorzaak daarvan te herleiden tot een tekortschieten van de huurder of van anderen voor wie hij verantwoordelijk is.
ditopzicht begint de risicosfeer van de verhuurder dus waar de risicosfeer van de huurder eindigt; en
(ii) heeft de huurder recht op schadevergoeding indien de genotsbeperkende omstandigheid wel aan de verhuurder kan worden toegerekend (art. 7:208 en Pro 6:75 BW); in
ditopzicht behoeft de risicosfeer van de verhuurder dus niet te beginnen waar de risicosfeer van de huurder eindigt, omdat denkbaar is dat een bepaalde omstandigheid noch aan de huurder noch aan de verhuurder kan worden toegerekend.
Het onder (i) bedoelde risico betreft het risico ter zake van de
tegenprestatie. Dit risico loopt de schuldenaar (verhuurder) voor zover de schuldeiser (huurder) de overeenkomst kan ontbinden (in de vorm van een huurprijsvermindering).
Het onder (ii) bedoelde risico betreft het risico ter zake van de
prestatie. Dit risico loopt de schuldeiser (huurder) indien de schuldenaar (verhuurder) niet schadeplichtig is omdat hij zich op niet-toerekenbaarheid in de zin van art. 6:75 BW Pro kan beroepen. [53]
een andere niet de huurder persoonlijk betreffende omstandigheidwaardoor het goed aan de huurder niet het genot kan verschaffen, dat deze bij het aangaan van de overeenkomst er van mocht verwachten.” [55] (onderstreping toegevoegd)
een andere omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft.” [56]
of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid”. [58] De minister heeft deze wijziging als volgt toegelicht:
Amicitia) is geoordeeld dat van een “aan de huurder toe te rekenen omstandigheid” in de zin van art. 7:204 lid 2 onder Pro meer ook sprake is indien het gaat om een omstandigheid die ingevolge art. 6:75 BW Pro krachtens in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de huurder komt.
Dit arrest wordt in de literatuur vrij algemeen geduid als een bevestiging dat de Hoge Raad de toerekenbaarheid aan de huurder invult met het overmachtbegrip van art. 6:75 BW Pro, dus aan de hand van schuld (verwijtbaarheid aan de huurder) of risico (krachtens wet, rechtshandeling of verkeersopvatting voor rekening van de huurder). [60] Uiteraard gaat het hier niet om een toepassing van art. 6:75 BW Pro als zodanig (wat ziet op de vraag of een tekortkoming van de huurder aan deze kan worden toegerekend), maar om een inventarisatie van de redenen – rechtshandeling, wet of verkeersopvatting − die kunnen rechtvaardigen dat een beperking van het huurgenot aan de huurder moet worden toegerekend. Ik loop dit rijtje redenen hierna af.
Ten eerste is de gedwongen sluiting van horeca en niet-essentiële winkels gericht op het beperken van bewegingen van het publiek en daarmee van het aantal contactmomenten tussen mensen. Dat de formulering van de desbetreffende maatregel het toelaat een verband te leggen met de exploitatie van het gehuurde is in zekere zin een toevalligheid. Met kan zich ook voorstellen dat een dergelijke maatregel zodanig wordt geformuleerd dat zij eigenaren of bezitters van panden waarin horeca of niet-essentiële winkels zijn gevestigd, opdraagt deze gesloten te (doen) houden voor het publiek. [66] Ten tweede moet worden bedacht dat de (standaard) ROZ-bepalingen zijn opgesteld voordat sprake was van de coronapandemie met haar gevolgen. Tegen die achtergrond kan naar mijn mening in beginsel niet worden aangenomen dat de partijen die deze bepalingen van toepassing hebben verklaard op hun huurovereenkomst, geacht moeten worden daarmee ook een risicoverdeling voor de situatie van de coronapandemie te hebben afgesproken. In de literatuur wordt veelal aangenomen dat de bedoelde ROZ-bepalingen die strekking niet hebben, omdat zij de huurder alleen verantwoordelijk maken voor de vereiste vergunningen, ontheffingen en toestemmingen die verband houden met de overeengekomen bestemming. [67] Een dergelijke contractuele taak- en risicoverdeling brengt voorts in de regel niet mee, dat de verhuurder slechts belang heeft bij het gegeven dat het gaat om de verhuur van een bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 of Pro 7:230a BW. Normaliter wil de verhuurder immers ook weten wat voor soort bedrijf in het gehuurde wordt uitgeoefend, legt hij deze bestemming met de huurder contractueel vast (zoals art. 7:214 BW Pro toelaat) [68] en verplicht hij de huurder contractueel om het gehuurde ook daadwerkelijk in overeenstemming met die bestemming te exploiteren. [69]
zonder bewering van recht op het gehuurde” geen gebrek is. De toelichting op deze bepaling vermeldt: [72]
In de gedachtewisseling tussen de Vaste Kamercommissie en de minister is bij de hier bedoelde overheidsmaatregelen het voorbeeld van een saneringsbevel gegeven. Daaruit kan naar mijn mening niet worden afgeleid, [76] dat het de bedoeling van de wetgever zou zijn geweest om alleen overheidsmaatregelen met betrekking tot (materiële aspecten van) van de verhuurde
zaakzelf buiten het toepassingsbereik van art. 7:204 lid 3 BW Pro te laten vallen (met als implicatie dat art. 7:204 lid 3 BW Pro wel voor risico van de huurder brengt overheidsmaatregelen die zien op het
gebruikvan de verhuurde zaak). [77] Art. 7:204 lid 3 BW Pro staat daarom niet in de weg aan de kwalificatie van bedoelde overheidsmaatregelen als een gebrek. [78] Dit impliceert dat er ruimte is te onderzoeken of dergelijke maatregelen om een andere reden aan de huurder moeten worden toegerekend in de zin van art. 7:204 lid 2 BW Pro.
AKU/Stalen Steigervolgt dat bedoeld risico een ‘de huurder persoonlijk betreffende omstandigheid’ betreft, (ii) of uit de parlementaire geschiedenis volgt dat wettelijke voorschriften die een bepaald gebruik van de zaak verbieden, niet aan de huurder toerekenbaar zijn, (iii) of het gaat om tegenvallende bezoekersaantallen die voor risico van de huurder komen, (iv) of relevant is dat het risico een belemmering in het huurgenot betreft waaraan de verhuurder part noch deel heeft en (v) of het gaat om een belemmering die de verhuurde zaak betreft dan wel de exploitatie daarvan. Vervolgens kom ik tot een standpuntbepaling.
zaakaan de huurder het verwachte
genotverschaft respectievelijk dat de
huurderhet genot
uitoefent. [81]
Amicitia) bedoelde omstandigheden die ingevolge art. 6:75 BW Pro krachtens in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de huurder komen, dan wel daarmee samenvallen. [82] Ik meen dat het laatste het geval is, [83] maar het antwoord kan in het middel blijven. Indien de categorie ‘de huurder persoonlijke betreffen de omstandigheden’ een subcategorie van de verkeersopvattingen vormt, komt het uiteindelijk aan op de verkeersopvattingen. Indien ‘de huurder persoonlijke betreffende omstandigheden’ en de verkeersopvattingen samenvallen, dan impliceert een referte aan de onbepaalde categorie ‘de huurder persoonlijke betreffende omstandigheden’ m.i. geen beperkingen van hetgeen, zonder een dergelijke referte, uit de verkeersopvattingen zou voortvloeien.
AKU/Stalen Steiger). [84] Deze zaak betrof de betaling van de huur van steigermateriaal dat AKU in 1944 van Stalen Steiger had gehuurd en dat was overgebracht naar terreinen van AKU in Arnhem. Door de evacuatie van Arnhem op bevel van de Duitse bezetter was het huurgenot voor AKU onmogelijk gemaakt. De Hoge Raad overwoog in algemene zin: [85]
AKU/Stalen Steigervoor de gedwongen sluiting ter bestrijding van de coronapandemie.
AKU/Stalen Steigerillustreert dat de risicosfeer van de huurder niet beperkt is tot in diens privésfeer gelegen omstandigheden die kunnen meebrengen dat hij niet in staat is om het genot van de zaak te hebben, zoals bijvoorbeeld ziekte (die belemmert om naar een gehuurd vakantiehuisje te gaan) of de noodzaak om in verband met werk of familieomstandigheden te verhuizen (en die belemmert om de gehuurde woning te betrekken). Ook bepaalde omstandigheden die volledig buiten de
invloedssfeer van de huurder liggen, kunnen worden toegerekend indien zij vallen binnen zijn
risicosfeer, zoals weersomstandigheden en stakingen [89] of het evacuatiebevel in de zaak
AKU/Stalen Steiger.
AKU/Stalen Steigerniet de conclusie kan worden getrokken dat een gedwongen sluiting vanwege de coronapandemie naar verkeersopvatting voor rekening van de huurder komt. Het arrest betrof een ander geval (dat meer dan zeventig jaar geleden is beoordeeld). Het ging om de verhuur van roerende zaken die in beginsel door het hele land ter beschikking kunnen worden gesteld. Anders dan bij de verhuur van bedrijfsruimte het geval zou kunnen zijn, speelt de locatiegebondenheid van de verhuurde zaak (“haar plaatselijke bepaaldheid”) in de discussie over de betekenis van een lokale maatregel daarom in beginsel geen rol. De locatie waar de huurder de zaken had ontvangen en wilde gebruiken, speelde bij de evacuatiemaatregel daarentegen wel een rol (ook al was het evacuatiebevel niet gericht tegen bepaalde activiteiten op de desbetreffende locatie, maar tot personen op de locatie). De locatie waar AKU zich bevindt en het gehuurde wil gebruiken, ligt volgens het arrest
AKU/Stalen Steigerin de sfeer van huurder AKU. Hieraan doet niet af dat ook andere inwoners van Arnhem moesten evacueren.
Heikens wijst in dit verband nog op Gerechtshof ’s-Gravenhage 14 februari 1952, ECLI:NL:GHSGR:1952:13, NJ 1953/182. Die zaak betrof militaire oefenterreinen die de Staat voor de Tweede Wereldoorlog had gehuurd van de gemeente Roermond. De terreinen waren tijdens de bezetting door de Duitse Wehrmacht in gebruik genomen. Na de bevrijding oordeelde het hof dat de Staat geen huur aan de gemeente verschuldigd was over de periode dat de Staat de terreinen niet kon gebruiken, aangezien de Staat genoodzaakt was zich bij de overneming van de terreinen neer te leggen en “
de door de oorlog en de vijandelijke bezetting van ons land voor de Staat ontstane verhindering om die terreinen als militaire oefenterreinen te blijven gebruiken, niet kan worden beschouwd als een verhindering, welke is toe te schrijven aan de Staat persoonlijk betreffende omstandigheden (…)”. [90]
ongeschiktheid voor het gebruik waar voor verhuurd is als gevolg van een wettelijk voorschrift”. [92]
AKU/Stalen Steiger, een de huurder persoonlijke betreffende omstandigheid kan opleveren. Het ligt daarom voor de hand om aan te nemen dat sommige overheidsmaatregelen wel in de risicosfeer van de huurder kunnen liggen (ook zonder dat daarover specifieke afspraken zijn gemaakt in het contract).
Tegenvallende bezoekersaantallen. Enkele schrijvers zien in het
Amicitia-arrest steun voor het standpunt dat achterblijvende bezoekersaantallen als gevolg van de coronacrisis naar verkeersopvatting in de risicosfeer van de huurder vallen. [98] De casus van dit arrest betrof een nieuw winkelcentrum dat een verdiepte ligging had en via trappen toegankelijk was. Volgens de Hoge Raad had het hof terecht geoordeeld “
dat de in teleurstellende bezoekersaantallen tot uiting komende nadelen die verbonden blijken te zijn aan de opzet en ligging van een (nieuw) winkelcentrum (…) naar verkeersopvatting in beginsel voor rekening van de huurders komen”. [99] De Hoge Raad betrok dus in zijn oordeel dat de tegenvallende bezoekersaantallen verband hielden met de locatie en opzet van het winkelcentrum. [100] Dat zijn voor het aangaan van de huur zichtbare aspecten van het gehuurde. [101]
Amicitia-arrest, [103] kan niet over een kam worden geschoren met de coronapandemie als achterliggende oorzaak van de maatregelen die leiden tot verminderde bezoekersaantallen. Naar mijn mening kan uit het
Amicitia-arrest niet worden geconcludeerd dat tegenvallende bezoekersaantallen in het algemeen of als gevolg van overheidsmaatregelen naar verkeersopvatting voor risico van de huurder komen. [104]
Gemeente ’s-Gravenhage/Strandpaviljoen Zuid), wel een gebrek opleveren.
niethet gehuurde betreft, maar
alleende bevoegdheid van de huurder om het gehuurde te exploiteren. De coronamaatregelen richten zich tot de maatschappij in brede zin [112] en zijn er op gericht om bewegingen van het publiek en contactmomenten tussen mensen te beperken. Indien een gedwongen sluiting van de horeca en van winkels alleen wordt toegerekend aan de exploitant van het betrokken bedrijf, wordt daarbij uit het oog verloren dat die exploitatie geschiedt in een pand. Het is de combinatie van het pand (op een bepaalde locatie) en het daarin uitgeoefende bedrijf (in een bepaald uitgaans- en/of winkelgebied), die normaliter zorgt voor de aanloop van het publiek. Het publiek komt niet naar lege panden, maar zonder panden komt het publiek ook niet naar een horecagelegenheid of een winkel. Het publiek kan wel zijn weg vinden naar bepaalde (meer) plaatsonafhankelijke horeca- of winkelactiviteiten, zoals een maaltijdbezorgservice of een webwinkel, maar die activiteiten worden in principe niet getroffen door een gedwongen horeca- of winkelsluiting. Een gedwongen sluiting betreft daarom in ieder geval niet alleen de exploitatie, maar ook het pand waar die exploitatie plaatsvindt (of, algemener gezegd, de locatie waar de exploitatie plaatsvindt, bijvoorbeeld een marktkraam). In zoverre kan naar mijn mening gezegd worden dat de huurder het pand niet meer kan gebruiken voor het doel waarvoor het is gehuurd.
nietvoor risico van de huurder komt. De gedwongen sluiting van de horeca in verband met de coronapandemie is een omstandigheid waar huurder noch verhuurder iets aan kan doen. Het komt daarmee volgens het denkschema van art. 7:204 lid 2 BW Pro − primair (want op de achtergrond speelt nog de uitlegvraag) − aan op de vraag of er voldoende argumenten zijn, om deze omstandigheid in de risicosfeer van de huurder te plaatsen. [113]
De maatregel is niet een de huurder persoonlijke betreffende omstandigheid op de grond dat deze lokaal van aard is. In de eerste plaats betreft de gedwongen sluiting een landelijke maatregel. Maar ook indien het zou gaan om een gedwongen sluiting in een deel van het land, is geen sprake van een lokale maatregel die specifiek de huurder betreft. Immers ook het verhuurde pand bevindt zich in de getroffen locatie. [114] Bij de verhuur van onroerende zaken is de locatie van het gehuurde geen ‘toevallige’ omstandigheid, zoals bijvoorbeeld wel het geval was met de steigers die aan AKU waren verhuurd.
De maatregel is niet, of althans niet louter, een de huurder persoonlijke betreffende omstandigheid op de grond dat deze niet de verhuurde zaak, maar slechts de exploitatie daarvan betreft. Een gedwongen horeca- of winkelsluiting om de aanloop van het publiek en contactmomenten beperken, treft een horeca- of winkelbedrijf dat in een pand respectievelijk op een bepaalde locatie wordt geëxploiteerd.
Daarentegen behoeft de huurder van een bedrijfsruimte − althans voordat de coronapandemie uitbrak en grote maatschappelijke gevolgen kreeg – geen rekening te houden met de mogelijkheid dat een dergelijke pandemie uitbreekt en de overheid in verband daarmee vergaande maatregelen als een gedwongen sluiting voor langere tijd treft.
in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen (…)”. De bepaling kan worden gezien als een lex specialis ten opzichte van de bevoegdheid tot partiële ontbinding op grond van een tekortkoming (art. 6:265 en Pro 6:270 BW). Op overeenkomstige wijze als bij een op partiële ontbinding gebaseerde prijsreductie dient de rechter bij toepassing van art. 7:207 lid 1 BW Pro aan de hand van de gegevens uit het dossier en stellingen van partijen tot een schatting te komen welke huurprijsvermindering als evenredig heeft te gelden. Daarbij is de rechter niet gebonden aan de regels van stelplicht en bewijslast. [121]
In de eerste plaats kan art. 7:207 BW Pro worden gelezen tegen de achtergrond van de algemene regeling van art. 6:265 BW Pro. Dan volgt uit het
Tenzij-arrestdat bij beantwoording van de vraag of de tekortkoming de (hier: gedeeltelijke) ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt, alle omstandigheden van het geval van belang kunnen zijn. De tenzij-clausule van art. 6:265 lid 1 BW Pro is gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid, zodat daarnaast weinig behoefte bestaat aan, en dus weinig ruimte over blijft voor, een daarvan te onderscheiden werking van de redelijkheid en billijkheid. [125] Men kan dit laatste ook omdraaien: de tenzij-clausule biedt kennelijk behoorlijk wat ruimte voor een op de omstandigheden van het geval toegesneden afweging.
In de tweede plaats kan (ook indien art. 7:207 BW Pro niet wordt gelezen tegen de achtergrond van art. 6:265 BW Pro) een andere uitkomst dan op basis van louter de in art. 7:207 BW Pro genoemde evenredigheidsmaatstaf worden bereikt, indien onverkorte toepassing van art. 7:207 BW Pro naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:248 lid 2 BW Pro). [126] In beide gevallen rijst de vraag welke gronden het oordeel rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het uitgangspunt van een met de beperking van het huurgenot evenredige prijsvermindering. De beoordeling op dit punt zal mijns inziens gelijkenis vertonen met die in het kader van een beroep op onvoorziene omstandigheden. [127] Men zou daarom ook kunnen denken aan een gecombineerde toepassing van art. 7:204, 7:207 en 6:258 BW om een nuancering op de maatstaf van art. 7:207 BW Pro te bereiken.
Daarnaast kent het algemene verbintenissenrecht de figuur van ‘schuldeisersovermacht’. Dit is het geval dat een verhindering van de nakoming door de schuldenaar zijn oorzaak vindt in een omstandigheid aan de zijde van de schuldeiser die aan deze laatste niet kan worden toegerekend. Dit geval is niet wettelijk geregeld. De rechtsgevolgen van schuldeisersovermacht worden volgens de parlementaire geschiedenis bepaald door de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2, 6:248 en 6:258 BW). [128] Naast het geval van schuldeisersovermacht wordt wel het geval van ‘onmogelijkheid van rechtsuitoefening’ onderscheiden, al is de afbakening tussen beide begrippen niet duidelijk. Ik versta eronder dat de schuldeiser weliswaar niet verhinderd is om de prestatie in ontvangst te nemen, maar de prestatie door omstandigheden geen of veel minder waarde voor de schuldeiser heeft gekregen. De rechtsgevolgen hiervan worden beheerst door de redelijkheid en billijkheid, in het bijzonder art. 6:258 BW Pro. [129] Schuldeisersverzuim, schuldeisersovermacht en onmogelijkheid van rechtsuitoefening hebben gemeen dat er geen tekortkoming is aan de zijde van de schuldenaar, omdat deze zijn prestatie heeft vervuld, althans bereid en in staat is om zijn prestatie te verrichten.
AKU/Stalen Steiger, slecht past op bepaalde gevallen waarin
(i) de huurder “in de onmogelijkheid is komen te verkeren om van zijn recht op huurgenot gebruik te maken”, en
(ii) overtuigende argumenten ontbreken om het risico van de aan die onmogelijkheid ten grondslag liggende omstandigheden op de gronden als genoemd in art. 6:75 BW Pro uitsluitend toe te rekenen aan de huurder, terwijl
(iii) dergelijke argumenten ook ontbreken voor toerekening op de gronden als genoemd in art. 6:75 BW Pro aan de verhuurder (al is dit laatste geen vraag die volgens art. 7:204 lid 2 BW Pro beantwoording behoeft) .
In een dergelijk geval ligt het meer in de rede om de oplossing te zoeken in toepassing van art. 6:258 BW Pro, dat nuanceringen toelaat. [130] Deze bepaling lijkt beter geschikt als kader voor de beoordeling van de gevolgen van de coronapandemie voor gesloten overeenkomsten, dan specifieke regels zoals art. 7:204 in Pro verbinding met art. 7:207 BW Pro. [131] Ik meen daarom dat, voor zover sprake is van een gebrek, toepassing van art. 7:207 BW Pro niet tot andere resultaten dient te leiden dan toepassing van art. 6:258 BW Pro.
vraag1 (en in het verlengde daarvan voor de hieronder voorgestelde beantwoording van
vraag 2), gelden mutatis mutandis daarom ook voor dergelijke gevolgen.
De aanwezigheid van art. 7:204 BW Pro verklaart immers waarom er een verschil bestaat tussen enerzijds een huurder van een pand die als ondernemer een horecagelegenheid exploiteert en huurprijsvermindering wenst over de periode van gedwongen sluiting, en anderzijds de eigenaar van een pand die als ondernemer een horecagelegenheid exploiteert en die wordt geconfronteerd met tijdens de gedwongen sluiting doorlopende financieringslasten.
Indien een beroep op art. 6:258 BW Pro door de huurder daarentegen bijvoorbeeld zou worden gegrond op (uitsluitend) door de coronacrisis ontstane betalingsonmacht, [135] dan betreft dat een omstandigheid die als zodanig niet specifiek gerelateerd is aan de exploitatiemogelijkheid van een gehuurde bedrijfsruimte omdat betalingsonmacht bij allerlei soorten overeenkomsten kan spelen.
Zoals eerder is opgemerkt (in 4.38), veronderstelt toepassing van art. 6:258 BW Pro echter dat de gebreksvraag niet (volledig) ontkennend wordt beantwoord op de grond, kort gezegd, dat de coronacrisis naar verkeersopvattingen voor risico van de huurder komt. In zoverre ontkomt men denk ik niet aan de invloed van art. 7:204 BW Pro.
Vraag 1: Behoudens een afwijkende contractuele regeling, is een gedwongen sluiting van de horeca in verband met de coronapandemie in beginsel aan te merken als een niet volledig aan de huurder toe te rekenen omstandigheid waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat de huurder mag verwachten, zodat in zoverre sprake is van een gebrek in de zin van art. 7:204 lid 2 BW Pro.
Vraag 2: De rechtsgevolgen hiervan voor wat betreft de verschuldigdheid van de huurprijs dienen te worden beoordeeld aan de hand van (art. 7:207 BW Pro in verbinding met) art. 6:258 BW Pro.
5.Onvoorziene omstandigheden
vragen 3 en 4betreffen de regeling van de onvoorziene omstandigheden. Ik ben ik het voorgaande al een beetje op deze regeling vooruitgelopen. Wat betreft het algemene overeenkomstenrecht wordt de regeling voor onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW Pro) vrij algemeen beschouwd als de meest voor de hand liggende remedie voor aanpassing van een contractuele verhouding op grond van de coronacrisis. [137] Dit artikel is van dwingend recht (art. 6:250 BW Pro), zodat bijvoorbeeld contractuele uitsluitingen van het recht op prijsvermindering (art. 7:207 BW Pro) niet aan toepassing ervan in de weg staan. De rechter kan op grond van art. 6:258 BW Pro de gevolgen van de overeenkomst wijzigen of (al dan niet gedeeltelijk) ontbinden en hieraan terugwerkende kracht verbinden, en aldus tot een maatwerkoplossing komen rekening houdend met alle omstandigheden van het geval.
In de gepubliceerde rechtspraak wordt bij de kwalificatie als onvoorziene omstandigheid geen strikt onderscheid gemaakt tussen dwingende coronamaatregelen van de overheid en andere gevolgen van de coronacrisis. In de uitspraken wordt in dit verband verwezen naar ‘de coronacrisis’ of ‘beperkende (overheids)maatregelen’ of beide. [145]
Ook in de mij bekende rechtspraak, in zowel kort geding als bodemzaken, wordt in deze zin geoordeeld ten aanzien van de coronacrisis en/of de beperkende overheidsmaatregelen. [146] Het Duitse recht bevat een wettelijk vermoeden dat bij huur van bedrijfsruimte en pacht sprake is van een ‘
Wegfall der Geschäftsgrundlage’ in de zin van § 313 BGB indien overheidsmaatregelen in verband met de coronapandemie het gebruik van de zaak onmogelijk maken of ernstig bemoeilijken. [147]
In de literatuur is erop gewezen dat vanwege de in acht te nemen terughoudendheid ook in verband met de coronacrisis een geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden uitzondering zal zijn. [158] Onder meer Schelhaas & Spanjaard wijzen er m.i. terecht op dat de coronacrisis anders is dan voorgaande crises, omdat ze als een gezondheidscrisis is begonnen en door veelomvattend overheidsingrijpen ter bescherming van de volksgezondheid is verdiept. Dit uitzonderlijke karakter brengt mee dat de coronacrisis, anders dan een economische crisis, minder snel tot het ondernemersrisico van de huurder wordt gerekend. [159] Uit de bespreking van de gebreksvraag is gebleken dat de coronacrisis een wezenlijk element van de overeenkomst voor de huur van bedrijfsruimte kan treffen. Ten aanzien van de gebreksvraag is hiervoor geconcludeerd dat overtuigende argumenten ontbreken om het risico van de aan die onmogelijkheid ten grondslag liggende omstandigheden uitsluitend toe te rekenen aan de huurder en dat dergelijke argumenten ook ontbreken voor toerekening aan de verhuurder. Dit volstaat voor de inschakeling van art. 6:258 BW Pro.
(ii) het omzetverlies; en
(iii) overige omstandigheden.
Mocht discussie ontstaan of de huurder in dit opzicht het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan, dan dient m.i. bedacht te worden dat wellicht verschillende keuzes ten aanzien van een aangepaste bedrijfsvoering denkbaar zijn. Het is aan de huurder om die keuzes te maken. De huurder kent immers zijn bedrijf en de daarin werkzame mensen het beste en heeft ook jegens hen verantwoordelijkheden. [171] Mocht de verhuurder echter aannemelijk kunnen maken dat er serieuze aanwijzingen zijn dat de huurder een voor de hand liggende keuze om de bedrijfsvoering aan te passen niet heeft gemaakt en kan de huurder daarvoor geen aannemelijk verklaring geven, dan is denkbaar dat wordt geoordeeld dat de gevolgen van de belemmeringen in de bedrijfsvoering in zoverre aan hem moeten worden toegerekend op grond van art. 6:258 lid 2 BW Pro. [172] Hetzelfde geldt voor kostenbesparingen die de huurder als gevolg van de beperking van de exploitatie van het gehuurde volgens de verhuurder had kunnen realiseren.
d), de huurprijs in beginsel wordt gewijzigd, waarbij als uitgangspunt geldt dat de tegenvaller gelijkelijk over de huurder en de verhuurder moet worden verdeeld. Indien sprake is van een omzetdaling van 100% wordt de oorspronkelijke huurprijs (hierna:
oh) in beginsel verminderd met 50%. De gewijzigde huurprijs (hierna:
gh) kan dan worden berekend volgens deze formule:
oh – (d% ÷ 2) = gh.
B: de omzet tijdens corona is 60. Het percentage omzetverlies is dan (240-60 =) 180/240, dus 75%.
C: het huurdeel in het TVL bedrag is 30. [194] Indien dit naast B wordt meegenomen, is het percentage omzetverlies (240-90=) 150/240, dus afgerond 62%.
D: het TVL bedrag is 100. Indien dit naast B wordt meegenomen, is het percentage omzetverlies (240 -160 =) 80/240, dus 33%.
E: het NOW bedrag is 50. Indien dit naast B en D wordt meegenomen, is het percentage omzetverlies (240 - 210 =) 30/240, dus 12%.
Voorts vergt de oorspronkelijke omzetmethode dat het huurdeel in de TVL wordt vastgesteld. De TVL werkt echter niet met een bepaald huurdeel. Korevaar heeft voorgesteld om ook voor het huurdeel te varen op CBS-cijfers over de gemeten gemiddelde huisvestingslasten als percentage van de overige vaste kosten. [195] Dat past op zichzelf bij de ‘abstracte’ wijze waarop de TVL wordt berekend, maar voegt een verdere abstractie toe aan de bepaling van het nadeel.
(i) dat door de coronacrisis het huurgenot (de exploitatiemogelijkheid) is aangetast, zoals dat tot uitdrukking komt in gedaalde omzetcijfers, en
(ii) dat tegenover die aantasting van het huurgenot een bepaalde huurprijsvermindering gerechtvaardigd is, echter voor zover de huurkosten niet reeds door een overheidssubsidie worden gecompenseerd, en waarbij voorts
(iii) de pijn in beginsel 50/50 tussen verhuurder en huurder wordt verdeeld.
Voorts is de vastelastenmethode toepasbaar ongeacht of het door het CBS berekende aandeel vaste lasten overeenkomt met de werkelijke vaste lasten van de huurder en ongeacht de hoogte van het subsidiepercentage aan TVL in een bepaald kwartaal (50, 85 of 100%).
- het ontbreken van een principieel verschil tussen verplichtende en andere overheidsmaatregelen (5.14);
- de mogelijkheid dat het gedrag van de huurder, die onvoldoende inspeelt op de crisis, in de afweging een rol kan spelen (5.15);
- de situatie van onderhuur (5.19.3); en
- de mate waarin de huurder in zijn exploitatiemogelijkheid (omzet) wordt geraakt en de wijze waarop overheidssteun daarbij kan worden verdisconteerd (o.m. 5.19.1 e.v. en 5.27--5.30).
De omstandigheid dat de onderverhuurder op eigen initiatief genoegen genomen heeft met een lagere huurprijs van de onderhuurder, komt mij op zichzelf niet relevant voor. Het gaat erom om of de door de onderverhuurder aan de onderhuurder toegestane huurkorting overeenstemt met hetgeen voortvloeit uit de wet. Dit dient de onderverhuurder in zijn verhouding tot de hoofdverhuurder aannemelijk te maken. Indien dat het geval is, dan heeft de onderverhuurder – niet alleen in zijn verhouding met de onderhuurder, maar ook voor zover hij redelijkerwijs rekening dient te houden met de belangen van de hoofdverhuurder − in beginsel redelijk gehandeld door deze korting te verlenen, ook zonder dat de onderhuurder daarom heeft verzocht of zonder dat daarover tussen onderverhuurder en onderhuurder is geprocedeerd. Dit laatste kan anders liggen indien zou blijken dat de onderhuurder geen aanspraak op een huurkorting zou hebben willen of kunnen maken.
(b) de verhuurder is een institutionele belegger dan wel een particuliere belegger;
(c) de verhuurder is voor zijn pensioen afhankelijk van de huurinkomsten;
(d) de verhuurder kan de pijn niet ergens ander neerleggen;
(e) de huurder is een ondernemer die ook andere activiteiten heeft die nog renderen;
(f) de huurder zou met een beter financieel beleid in de voorgaande jaren beter in staat zijn geweest de klappen van de coronacrisis op te vangen (bijvoorbeeld omdat hij ondanks goede resultaten naliet reserves aan te leggen).
De afweging op de voet van art. 6:258 BW Pro is er immers op gericht om te bepalen in hoeverre de huurprijs moet worden aangepast om het verlies aan exploitatiemogelijkheden als gevolg van de coronacrisis te verdisconteren. In eerste instantie zal de beoordeling van het beroep op art. 6:258 BW Pro daarom dienen plaats te vinden aan de hand van de omstandigheden die daarop betrekking hebben. Tot dergelijke omstandigheden behoren niet de hiervoor in 5.35 onder (a)-(f) bedoelde omstandigheden.
Een correctie op de uitkomst van de zojuist bedoelde afweging is m.i. denkbaar, omdat art. 6:258 BW Pro in het algemeen verwijst naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en in dat verband kunnen alle omstandigheden van het geval een rol spelen (het is dus niet nodig om hiervoor uit te wijken naar art. 6:248 lid 2 BW Pro). Het is daarom denkbaar dat in tweede instantie omstandigheden zoals genoemd in 5.35 onder (a)-(f) in de beoordeling worden betrokken, indien daarop een gemotiveerd beroep wordt gedaan door de partij die betoogt dat ook dergelijke omstandigheden een rol behoren te spelen in de beoordeling. Het verdient mijns inziens aanbeveling om de rol van dergelijke omstandigheden afzonderlijk tot uitdrukking te brengen in de motivering van het rechterlijk oordeel.
Vraag 3: Ten aanzien van vóór de coronacrisis gesloten overeenkomsten voor de huur van bedrijfsruimten waarbij de huurder voor diens omzet in het gehuurde afhankelijk is van de komst van het publiek, zoals bij horeca en winkels, kan als uitgangspunt worden aangenomen dat de coronapandemie en haar gevolgen (de coronacrisis) een onvoorziene omstandigheid is die kan meebrengen dat de verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst mag verwachten.
Vraag 4: De aan de coronacrisis te verbinden gevolgen voor de ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst zijn afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De coronacrisis kan in beginsel leiden tot een tijdelijke huurprijsvermindering die is gebaseerd op het nadeel dat de huurder lijdt als gevolg van het aan de coronacrisis toe te rekenen, voldoende ernstige omzetverlies van de huurder in de gehuurde zaak. Bij de bepaling van het nadeel kan het door de huurder ter zake van het gehuurde ontvangen bedrag aan Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) worden verdisconteerd op de wijze van Hof Amsterdam 14 september 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2728. Als uitgangspunt dient het bedoelde nadeel gelijkelijk (50/50) tussen verhuurder en huurder te worden verdeeld. Omstandigheden die als zodanig losstaan van de verstoring van het contractuele evenwicht tussen de prestaties van verhuurder en huurder bij de huur van bedrijfsruimte door de coronacrisis, kunnen een afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen.