Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- de processen-verbaal van de terechtzitting van 1 december 2020 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 24 december 2020.
Rechtbank Oost-Brabant
De wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant behandelde op 21 januari 2021 het wrakingsverzoek van meerdere verzoekers tegen mr. A.W.A. Kap-Knippels, rechter in strafzaken. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid vanwege het afwijzen van getuigenverzoeken en het verwerpen van een ontvankelijkheidsverweer tijdens een terechtzitting op 1 december 2020.
De wrakingskamer baseerde haar oordeel op het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, waarin is vastgesteld dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid opleveren. Tevens werd benadrukt dat rechterlijke tussenbeslissingen en hun motivering geen grond voor wraking kunnen zijn, tenzij deze motivering objectief niet anders kan worden uitgelegd dan als blijk van vooringenomenheid.
De wrakingskamer oordeelde dat de afwijzing van de getuigenverzoeken en het verwerpen van het ontvankelijkheidsverweer binnen het gesloten stelsel van rechtsmiddelen vallen en geen reden voor wraking vormen. De motivering van de rechter was adequaat en kon niet worden opgevat als vooringenomenheid. Ook werden geen andere objectieve feiten of omstandigheden aangevoerd die een gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen.
Daarom werden de wrakingsverzoeken afgewezen. De beslissing werd genomen door de voorzitter H.M.H. de Koning en de leden M.F.M.T. Franke en J.H.L.M. Snijders, met mr. J.R. Leegsma als griffier. Tegen deze beslissing staat een voorziening open op grond van artikel 515 lid 5 Rv Pro.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.