ECLI:NL:RBOBR:2021:6031
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering natuurvergunning voor veehouderij wegens ontbreken toename stikstofdepositie
De rechtbank Oost-Brabant behandelde het beroep tegen het besluit van 11 november 2020 waarbij een natuurvergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) was verleend voor een veehouderij aan een adres in Noord-Brabant.
Eisers stelden dat de vergunning onterecht was verleend. De rechtbank beoordeelde of de aangevraagde situatie leidde tot een toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie, die bestond uit de revisievergunning van 1 april 2019. Uit de feiten bleek dat het bedrijf conform deze revisievergunning bleef opereren, zonder uitbreiding van vrachtwagen- of tractorbewegingen.
De rechtbank stelde vast dat er geen significante toename van stikstofdepositie of andere negatieve effecten waren ten opzichte van de referentiesituatie. Daarom was voor de aangevraagde situatie geen natuurvergunning noodzakelijk. De verleende vergunning werd vernietigd en de aanvraag afgewezen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer op 9 november 2021 in 's-Hertogenbosch en kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de verleende natuurvergunning en wijst de aanvraag af wegens ontbreken van toename stikstofdepositie.