De rechtbank Oost-Brabant heeft op 19 februari 2021 uitspraak gedaan in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde die door het gerechtshof 's-Hertogenbosch was veroordeeld voor onder meer schending van ambtsgeheim, computervredebreuk, omkoping als ambtenaar, gewoontewitwassen en het voorhanden hebben van een vals reisdocument.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk €77.283,84 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op een kasopstelling die de contante uitgaven afzette tegen legale contante inkomsten. De verdediging voerde verweer met verzoeken tot nader onderzoek en matiging van het bedrag, maar de rechtbank verwierp het verzoek tot nader onderzoek en matigde het bedrag slechts deels.
De rechtbank achtte het aannemelijk dat de veroordeelde meer contant geld had uitgegeven dan hij legaal kon verklaren, wat duidt op wederrechtelijk verkregen voordeel. Na verrekening van diverse posten, waaronder een verkoop van een auto en correcties op facturen, stelde de rechtbank het voordeel vast op €67.642,72. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met ruim drie jaar, bracht de rechtbank een korting van 5% toe, waardoor de betalingsverplichting werd vastgesteld op €64.260,58.
De rechtbank legde de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat op en bepaalde tevens de duur van gijzeling conform het Wetboek van Strafvordering. Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant.