ECLI:NL:PHR:2013:BV9087
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest Hof wegens onvoldoende motivering schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene geschat op €163.507,78 en hem tot betaling van €138.981,61 aan de Staat veroordeeld. De betrokkene stelde zeven middelen van cassatie voor, waarvan het vijfde middel slaagde. Dit middel betrof de klacht dat het Hof onvoldoende inzicht had gegeven in de wijze waarop het ontnemingsbedrag was vastgesteld, en dat de gebruikte bewijsmiddelen niet toereikend waren om het geschatte bedrag te onderbouwen.
De Hoge Raad overwoog dat de bewijsminima uit het Wetboek van Strafvordering niet gelden voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar dat wel een beredeneerde vermogensvergelijking op basis van wettige bewijsmiddelen vereist is. Het Hof had het financieel rapport en bijlagen als bewijsmiddelen gebruikt, maar had niet voldoende gemotiveerd hoe het bedrag van €163.507,78 was berekend, terwijl de bijlagen slechts deels overeenkwamen met de verklaringen en bedragen.
Andere middelen, zoals de klacht over de uitspraakdatum en de termijnoverschrijding van conclusies, werden verworpen. Het Hof had ook terecht geoordeeld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene toerekenbaar was, ondanks zijn medeplegen. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het Hof voor een nieuwe beoordeling binnen het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.