Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2021 op het verzet van
[bedrijf] te [vestigingsplaats] , opposante
Procesverloop
Overwegingen
Namens opposante is op 29 januari 2021 het standpunt ingenomen dat zij in het geheel géén (tweede) griffierechtnota heeft ontvangen. De daarvoor opgegeven reden (verblijf in het buitenland op de datum van bezorging) heeft geleid tot een tweede en derde mondelinge behandeling van het verzet. Op de derde zitting verklaarde de gemachtigde van opposante dat de griffierechtnota wél ontvangen is. Had de gemachtigde dit op de zitting van
De rechtbank stelt de overschrijding vast op vier maanden en dat betekent een schadevergoeding van € 500,-. De schadevergoeding komt geheel ten laste van de Staat, omdat de overschrijding van de redelijke termijn alleen in de beroepsfase is ontstaan. De rechtbank zal de Staat veroordelen om het bedrag van € 500,- aan opposante te betalen.
Proceskosten
De Staat moet het schadebedrag vergoeden. Griffierecht is niet geheven voor het verzet.
Beslissing
- verklaart het verzet ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door opposante geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500,-;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van opposante in verzet tot een bedrag van