ECLI:NL:RBOBR:2022:1657
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde en toezendplicht indexeringscijfers in bezwaarprocedure
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2019, gesteld op €419.000, en vordert een lagere waarde van €385.000. Verweerder baseert de waarde op een taxatierapport en gebruikte vergelijkingsobjecten die qua bouwjaar, type en inhoud vergelijkbaar zijn met de woning van eiser.
Eiser stelt dat verweerder niet heeft voldaan aan de toezendplicht van indexeringscijfers op grond van artikel 40 Wet Pro WOZ. De rechtbank bevestigt dat deze gegevens op verzoek verstrekt hadden moeten worden, maar passeert het gebrek omdat eiser in beroep alsnog toegang tot de gegevens had en daardoor niet langer in zijn belangen is geschaad.
De rechtbank oordeelt dat de vergelijkingsobjecten adequaat zijn gekozen en dat de correcties en indexering met cijfers van de Waarderingskamer voldoende inzichtelijk zijn gemaakt. De stelling van eiser dat de woning gedateerde voorzieningen heeft, is onvoldoende onderbouwd. De waarde van €419.000 wordt daarom niet te hoog geacht en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiser. Het hoger beroep staat open binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak blijft in stand.