De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de kinderrechter om vervangende toestemming te verlenen voor het toedienen van vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) aan een onder toezicht gestelde minderjarige. De moeder, die het ouderlijk gezag uitoefent, weigerde toestemming te geven vanwege bezorgdheid over mogelijke overgevoeligheidsreacties en de wens om uit te gaan van de natuurlijke weerstand van het kind.
De kinderrechter overwoog dat vaccinaties binnen het RVP een medische behandeling vormen zoals bedoeld in artikel 1:265h BW. Echter, de noodzaak om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden ontbrak in deze zaak. Er waren geen bijzondere omstandigheden of concrete feiten die het noodzakelijk maakten om de toestemming van de moeder te vervangen.
Hoewel het RVP gericht is op het voorkomen van ernstige infectieziekten, is deelname niet verplicht en staat de keuzevrijheid van ouders centraal, ook bij een ondertoezichtstelling. De zorgen van pleegouders en het algemene advies van de jeugdarts van de GGD waren onvoldoende om het verzoek toe te wijzen.
De kinderrechter concludeerde dat de keuze van de moeder om geen toestemming te geven moet worden gerespecteerd en wees het verzoek van de GI af. De beslissing werd mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2022.