De zaak betreft een geschil over een pachtovereenkomst tussen [eiser] en B.V. Landgoed De Princepeel. [Eiser] verzocht om zijn echtgenote en zoon als medepachters aan te merken vanwege ziekte en bedrijfsopvolging, terwijl de Princepeel de pachtovereenkomst wilde ontbinden wegens vermeend niet-persoonlijk gebruik en verliesgevende bedrijfsvoering.
De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende grond is voor ontbinding of beëindiging van de pachtovereenkomst. Ondanks de ziekte van [eiser], is hij nog in staat de bedrijfsvoering te bepalen, ondersteund door zijn echtgenote en zoon. De Princepeel heeft onvoldoende bewijs geleverd dat het gepachte niet meer bedrijfsmatig wordt gebruikt of dat er sprake is van strijd met goed pachterschap.
Met betrekking tot de medepacht oordeelt de rechtbank dat de echtgenote voldoende ervaring en kennis heeft om als medepachter te worden aangemerkt. De zoon wordt afgewezen als medepachter omdat zijn agrarische opleiding en ervaring onvoldoende zijn voor zelfstandige bedrijfsvoering. De proceskosten worden verdeeld; de Princepeel wordt veroordeeld in de kosten van de reconventie.