Uitspraak
1.De procedure
- [eiser] voornoemd;
- mr. C.C.L. Rutten-Stichter als gemachtigde van de Staat; en
- [A] , coördinerend/specialistisch adviseur bij de Belastingdienst, namens de Staat.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
.
Rechtbank Oost-Brabant
Eiser had een lijfrentespaarrekening met een bedrag van €305.000 dat hij na de contractuele einddatum in 2018 kon opnemen onder voorwaarden. De Staat wekte in een brief van 11 maart 2019 het vertrouwen dat eiser bedragen kon opnemen zonder een lijfrente te kopen en zonder revisierente te betalen. Later, in een brief van 21 december 2020, kwam de Staat hierop terug en stelde dat eiser alsnog een lijfrente moest kopen, wat leidde tot een lagere rente en schade voor eiser.
Eiser vorderde dat de Staat onrechtmatig handelde en eiste een schadevergoeding van €13.051,35. De Staat betwistte onrechtmatigheid en verwees onder meer naar een disclaimer en het deskundige karakter van eiser. De rechtbank oordeelde dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat onjuist bleek, en dat eiser schade heeft geleden door het lagere rentetarief bij het later aankopen van de lijfrente.
De rechtbank stelde vast dat het vertrouwen gerechtvaardigd was, ondanks de disclaimer en eerdere afwijzing, en dat de schade in causaal verband stond met het handelen van de Staat. De vordering tot verklaring van onrechtmatigheid en schadevergoeding werd toegewezen, evenals de proceskosten. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: De Staat is onrechtmatig jegens eiser en moet €13.051,35 schadevergoeding en proceskosten betalen.