ECLI:NL:RBOBR:2022:2290
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en onderbouwing indexering verkoopprijzen
Eiser, eigenaar van een bungalow uit 1974, betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gesteld op €412.000 per 1 januari 2019. Hij stelt een lagere waarde van €381.000 voor en voert onder meer aan dat de indexering van vergelijkingsobjecten onvoldoende is toegelicht, dat overlast van een nabijgelegen speeltuin de waarde negatief beïnvloedt en dat onvoldoende rekening is gehouden met gedateerde voorzieningen.
De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar drie vergelijkingsobjecten heeft gebruikt die voldoende vergelijkbaar zijn en dat de indexering van verkoopprijzen adequaat is onderbouwd met cijfers van de Waarderingskamer. Eiser heeft onvoldoende gegevens aangeleverd om deze indexering te betwisten. Ook is het betoog over overlast onvoldoende gemotiveerd en niet onderbouwd met meldingen.
Verder heeft de heffingsambtenaar een waardecorrectie toegepast voor de matige staat van de woning, wat de rechtbank toereikend acht. De rechtbank wijst het beroep af omdat eiser zijn lagere waardestandpunt niet inzichtelijk en toetsbaar heeft gemaakt. De heffingsambtenaar heeft zijn bewijslast voldoende vervuld en de vastgestelde waarde blijft gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €412.000 wordt ongegrond verklaard.