Belanghebbende betwistte de door de gemeente Hilversum vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor 2019, waarbij het Hof Arnhem-Leeuwarden het standpunt van de heffingsambtenaar volgde om een referentieobject met een extreem lage prijs per m3 buiten beschouwing te laten. De heffingsambtenaar had een waardematrix met vijf referentieobjecten overgelegd, waarvan drie door belanghebbende als ongeschikt werden bestreden.
Het Hof oordeelde dat de lage prijs per m3 van één woning zonder nadere motivering kon worden genegeerd. De Hoge Raad stelt echter dat het oordeel van het Hof onvoldoende gemotiveerd is, omdat de heffingsambtenaar zelf had verklaard dat er geen aanwijzingen waren voor een onzakelijke transactie en geen verklaring kon geven voor de afwijkende prijs.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe behandeling met inachtneming van dit arrest. Tevens veroordeelt de Hoge Raad het College van Burgemeester en Wethouders tot vergoeding van de proceskosten in cassatie en het griffierecht.