ECLI:NL:RBOBR:2022:2716
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Waarde vaststelling woning WOZ 2019 niet te hoog verklaard
Eiser betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per waardepeildatum 1 januari 2019, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €290.000. Eiser stelde een lagere waarde van €263.000 voor, onderbouwd met een taxatierapport uit 2018 met een waarde van €250.000. De heffingsambtenaar verwees naar een waardematrix met een getaxeerde waarde van €325.000 en gebruikte vergelijkingsobjecten om de waarde te onderbouwen.
De rechtbank oordeelde dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar waren en dat de heffingsambtenaar de verschillen in kwaliteit, onderhoud en bouwjaar adequaat had gecorrigeerd. De indexering van verkoopprijzen naar de waardepeildatum was voldoende inzichtelijk gemaakt en niet betwist met concrete gegevens door eiser.
Daarnaast was de waardering van het onderhouds- en voorzieningenniveau van de woning adequaat, waarbij rekening was gehouden met de bouwperiode en gedateerde voorzieningen. Het vermoeden dat de woning in slechtere staat was dan aangenomen, werd niet bevestigd door het taxatierapport van eiser.
De rechtbank concludeerde dat de vastgestelde waarde niet te hoog was en dat eiser zijn lagere waarde niet aannemelijk had gemaakt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2019 is terecht vastgesteld op €290.000; het beroep wordt ongegrond verklaard.