Overwegingen
Relevante feiten en omstandigheden
1. Eiser was werkzaam als voorman/magazijnbaas voor 40 uur per week. Op 16 februari 2016 heeft hij zich ziekgemeld wegens psychische klachten.
2. Per 26 februari 2018 is aan eiser een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Daarbij werd eiser op medische gronden volledig arbeidsongeschikt geacht.
3. Vanwege de maximale looptijd van de loongerelateerde fase is bij het primaire besluit, de loongerelateerde WGA-uitkering omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Hieraan lag geen nieuw onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van eiser ten grondslag.
4. Na bezwaar van de werkgever (waarbij een IVA-uitkering werd beoogd), is alsnog een herbeoordeling verricht. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) hebben eiser in de bezwaarfase onderzocht. Dat heeft geleid tot de bestreden besluitvorming.
De standpunten van partijen
5. Bij het bestreden besluit heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat eiser geen arbeidsbeperkingen heeft, zodat hij niet arbeidsongeschikt is. Om die reden heeft eiser, met inachtneming van een uitlooptermijn, per 16 februari 2020 geen recht (meer) op een WIA-uitkering. Aan dit standpunt ligt de rapportage van de verzekeringsarts B&B van 9 december 2019.
6. Na de zitting heeft het UWV alsnog een expertise laten verrichten, namelijk door Psyon. De conclusies van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 januari 2022. Aan de hand van dat rapport heeft de verzekeringsarts B&B in zijn rapportage van 21 februari 2022 geconcludeerd dat eiser per 26 juli 2019 feitelijk geen arbeidsbeperkingen heeft. Om die reden vindt het UWV dat eisers WIA-uitkering bij het bestreden besluit terecht is beëindigd.
7. Eiser heeft in zijn reactie op de conclusies van het nader verrichte onderzoek en het nadere standpunt van het UWV alleen verwezen naar wat hij eerder in de procedure naar voren heeft gebracht.
8. Kort samengevat heeft eiser eerder in de procedure het volgende aangevoerd. Eiser vindt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hij is weliswaar in de bezwaarfase twee keer op medisch spreekuur geweest bij de verzekeringsarts en verzekeringsarts B&B, maar als belanghebbende is hij niet gehoord, ondanks zijn uitdrukkelijke verzoek daartoe. Als dat wel was gedaan, had hij naar voren kunnen brengen dat hij het niet eens is met de conclusie van de verzekeringsarts B&B en had mogelijk een beroepsprocedure kunnen worden voorkomen. Eiser voert verder aan dat hij wel degelijk arbeidsongeschikt is. Dit vonden ook de primaire verzekeringsarts en de werkgever. Eiser stelt dat hij niet in staat is om te werken en onderbouwt dit standpunt met medische informatie.
De beoordeling door de rechtbank
9. In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser met ingang van
16 februari 2020 omdat met ingang van die datum de WIA-uitkering is ingetrokken.De rechtbank stelt vast dat de aan de bestreden besluitvorming ten grondslag liggende rapportages van de verzekeringsartsen (B&B) niet zijn gericht op voornoemde datum. Die beoordeling is gericht op de datum 26 juli 2019. Dat geldt ook voor de nadere rapportage van de verzekeringsarts B&B van 21 februari 2022. Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een onjuiste grondslag.
10. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit, althans de alsnog daarvoor gegeven onderbouwing, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.
11. De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen. De rechtbank stelt daarvoor de (in artikel 8:51a, tweede lid, van de Awb bedoelde) termijn van acht weken. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het UWV (nader) motiveren of, en zo ja, waarom de in de rapportage van de verzekeringsarts B&B van 21 februari 2022 getrokken conclusies ook gelden per 16 februari 2020. Het UWV wordt tevens verzocht om de rechtbank binnen twee weken na verzending van deze uitspraak aan te geven of hij van deze geboden mogelijkheid gebruik wil maken.
12. Mocht de genoemde termijn van acht weken niet haalbaar blijken, dan zal het UWV binnen deze termijn een concreet verzoek voor verlenging daarvan moeten indienen.
13. Nadat het UWV gebruik heeft gemaakt van de herstelgelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV (volgens artikel 8:51b, derde lid, van de Awb). In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
14. De rechtbank wijst er nog op dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die tot op heden naar voren zijn gebracht, omdat het na de tussenuitspraak inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.