Eiser heeft naast zijn WAO-uitkering inkomsten uit werk verzwegen, wat het UWV ontdekte via een onderzoek naar manurenstaten en bankafschriften. De rechtbank stelt vast dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door het niet melden van deze inkomsten. Hoewel eiser betoogt dat zijn dochter mogelijk zijn pinpas heeft gebruikt en dat er sprake zou kunnen zijn van misbruik van zijn persoonsgegevens, acht de rechtbank deze verklaringen niet geloofwaardig vanwege het ontbreken van onderbouwing en de overeenkomsten tussen pintransacties en gewerkte uren.
Het UWV heeft de uitkering herzien en het teveel betaalde bedrag van €8.121,09 bruto teruggevorderd. Daarnaast is een boete opgelegd van 50% van het te veel ontvangen bedrag, zijnde €3.249,85. De rechtbank bevestigt de herziening en terugvordering, maar vindt de boete niet evenredig omdat het UWV het evenredigheidsbeginsel niet heeft toegepast. Gezien de ernst van de overtreding, verwijtbaarheid en persoonlijke omstandigheden van eiser, stelt de rechtbank de boete vast op €1.200.
De rechtbank oordeelt ook dat het UWV onzorgvuldig heeft gehandeld door de bijlagen bij het onderzoeksrapport niet tijdig aan eiser te verstrekken, wat rechtvaardigt dat het UWV het griffierecht en proceskosten van in totaal €2.108 aan eiser moet vergoeden. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en partijen kunnen hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.