ECLI:NL:RBOBR:2022:3015
Rechtbank Oost-Brabant
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde eigen woning op basis van eigen verkoopcijfer
Eiser betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die was gebaseerd op het eigen verkoopcijfer van €693.000 bij aankoop in november 2019. De heffingsambtenaar had de waarde na bezwaar verlaagd van €689.000 naar €660.000 per waardepeildatum 1 januari 2020.
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar de bewijslast draagt om aan te tonen dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. Het eigen verkoopcijfer wordt in de rechtspraak als uitgangspunt genomen, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat dit niet de waarde vertegenwoordigt. Eiser voerde een beroep op de meerderheidsregel aan, waarbij hij vijftien woningen in de straat als vergelijkingsobjecten noemde.
De rechtbank stelt echter vast dat deze woningen niet identiek zijn aan de woning van eiser en dat het herleiden tot eenheidsprijzen onvoldoende is om de meerderheidsregel toe te passen. Ook andere aangevoerde argumenten, zoals verschillen in onderhoudstoestand en gebruikte vergelijkingsobjecten, leiden niet tot een ander oordeel. De rechtbank concludeert dat het eigen verkoopcijfer terecht als bewijs is gebruikt en dat de vastgestelde WOZ-waarde van €660.000 niet te hoog is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €660.000 wordt ongegrond verklaard.