Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
[gedaagde sub 1] LTD.,
[gedaagde sub 2] C.V.,
3 [gedaagde sub 3] ,
[gedaagde sub 4]
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] van 5 maart 2021 met 34 producties,
- het tussenvonnis van 21 april 2021 waarin een mondelinge behandeling is bevolen,
- de conclusie van antwoord van [gedaagden sub 1 en 2] van 27 december 2021 met 2 producties,
- de brief van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] van 18 januari 2022, met aanvullende producties 35 t/m 40,
- het mailbericht van [eiser] van 21 januari 2022 met (op herhaald verzoek van de rechtbank) de nog niet eerder overgelegde producties 1 t/m 10 bij de dagvaarding,
- het proces-verbaal van de zitting van 25 januari 2022, waar [eiser] en zijn advocaat niet zijn verschenen, waarna de rechtbank de behandeling heeft aangehouden tot een nader te bepalen datum,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 april 2022, waar [eiser] niet in persoon aanwezig was, met daarbij de spreekaantekeningen van de drie advocaten.
3.De feiten
4.De vorderingen
5.De beoordeling
- als het, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat het gebrek dat de schade heeft veroorzaakt, niet bestond op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer heeft gebracht, dan wel dat dit gebrek later is ontstaan (sub b), of
- als het voor die producent op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht, onmogelijk was om het bestaan van het gebrek te ontdekken (sub e).