Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.Het verloop van het geding
2.Waar gaat het in deze procedure om?
3.De feiten
Werknemer treedt bij werkgever in loondienst in de functie van chauffeur-technicus
Rechtbank Oost-Brabant
Werknemer heeft een kort geding aangespannen tegen zijn oud-werkgever met de vordering om afschriften van diverse bescheiden te verkrijgen die nodig zouden zijn voor een loonvordering. Hij stelt dat de werkgever de cao niet heeft nageleefd en dat hij nog achterstallig loon, overuren en onkostenvergoeding tegoed heeft. De werkgever heeft slechts een deel van de gevraagde stukken overgelegd en voert aan dat werknemer geen spoedeisend belang heeft en dat de gevorderde stukken betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij werknemer geen partij is.
De kantonrechter oordeelt dat aan de eis van spoedeisendheid is voldaan, omdat werknemer de stukken nodig heeft om een bodemprocedure te starten en hij aannemelijk heeft gemaakt waarom hij pas laat heeft gedagvaard. Echter, de kantonrechter stelt dat werknemer onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een tekortkoming in de nakoming van loonbetalingsverplichtingen bestaat. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de cao van toepassing is, heeft werknemer niet concreet gesteld welke bedragen hij nog verschuldigd acht en waarom.
De kantonrechter overweegt dat voor een vordering op grond van artikel 843a Rv het bestaan van de rechtsbetrekking en de tekortkoming voldoende aannemelijk moet zijn gemaakt. Dit is niet het geval. Daarom worden de vorderingen afgewezen. Werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten, die worden begroot op € 871,00 inclusief een bijdrage in het salaris van de gemachtigde. Het vonnis is gewezen door kantonrechter M.H. Kobussen en op 14 februari 2022 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vordering tot afgifte van bescheiden wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de gestelde tekortkoming.