Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.[eiser 1] ,
[eiser 2],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 2 februari 2022;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (de zitting) van 8 september 2022, ten behoeve waarvan [eisers] een akte overlegging producties in de procedure heeft gebracht (met producties 17-19) en spreekaantekeningen heeft overgelegd;
- de akte eisvermeerdering van [eisers] van 14 september 2022 (met producties 20-22);
- het B16-formulier van mr. Janssen waarin hij de rechtbank namens [gedaagde] laat weten af te zien van bewijslevering.
2.Inleiding en de feiten
6.3.De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als: woonhuis
3.De vorderingen van [eisers]
- € 38.770 om het probleem van de knallende dakplaten op te lossen;
4.De beoordeling
- de ruimte op de tweede verdieping in gebruik was als bergzolder;
- [eisers] een wens heeft geuit om een kleine studio op de tweede verdieping te realiseren.
- de koper een deugdelijk rapport heeft overgelegd ter onderbouwing van het probleem;
- uit dat rapport volgt dat sprake is van knallen die overlast veroorzaken en deze overlast – bij gebrek aan wettelijke normen voor (piek)geluiden voor een krakend en/of knallend dak – in het licht van (onder meer) het Activiteitenbesluit de maximaal toelaatbare grens overschrijdt;
- er geen bijzonderheden zijn, zoals ouderdom van het huis, (kenbaar) achterstallig onderhoud, of specifieke afspraken of mededelingen tussen partijen in aanloop naar de koopovereenkomst.
De rechtbank is van oordeel dat [eisers] met het schriftelijke rapport van Kupers en Zuiderveld voldoende heeft onderbouwd dat de dakplaten knallen en dat de overlast ernstig is: pieken van 80 dB tot 85 dB (gemeten op de tweede verdieping). [gedaagde] heeft de bevindingen van Kupers en Zuiderveld en de motivering daarvan niet als zodanig met argumenten bestreden. De rechtbank is van oordeel dat het een goed rapport is en zij ziet geen aanleiding om daar geen of beperkte waarde aan toe te kennen. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in ogenschouw:
- Kupers en Zuiderveld hebben tijdens de mondelinge behandeling verder verklaard over hun kennis en ervaring en over de wijze waarop zij het onderzoek hebben uitgevoerd. Dat maakt het rapport nog sterker. [gedaagde] heeft de gelegenheid gekregen om daar na de zitting bij akte op te reageren, maar van die gelegenheid heeft hij geen gebruikgemaakt.
- Hoewel het beter was geweest als [gedaagde] een reële gelegenheid zou hebben gehad om het onderzoek bij te wonen en input te leveren op de bevindingen en het concept rapport, ziet de rechtbank in die omstandigheid geen aanleiding om aan het rapport geen of beperkte waarde toe te kennen. Het deskundigenrapport heeft de status van bewijsmiddel en er is geen wettelijke regel die meebrengt dat de wederpartij bij een onderzoek door een dergelijke deskundige aanwezig moet zijn. Het tot de rechter gerichte procedurele beginsel van ‘hoor en wederhoor’ brengt dat evenmin mee. De deskundigheid van Kupers en Zuiderveld staat niet ter discussie en uit niets blijkt dat zij zich (in onevenredige mate) hebben laten beïnvloeden door de belangen van [eisers] De enkele omstandigheid dat zij de tweede verdieping in het rapport als slaapkamer hebben aangeduid, rechtvaardigt die conclusie niet. [gedaagde] heeft ook niet gesteld of toegelicht dat Kupers en Zuiderveld tot andere bevindingen over de staat van de woning zouden zijn gekomen als hij bij het onderzoek door Kupers en Zuiderveld aanwezig zou zijn geweest. Belangrijker nog is dat [gedaagde] de bevindingen van Kupers en Zuiderveld en de motivering daarvan niet als zodanig met argumenten heeft bestreden, bijvoorbeeld met een rapport van een door hem ingeschakelde deskundige die het rapport Kupers en Zuiderveld heeft beoordeeld.
- De rechtbank volgt het rapport wat betreft het gebruik van het Activiteitenbesluit als referentiekader voor welke geluidsniveaus storend of zelfs ongeoorloofd zijn. Dat is namelijk de context en bedoeling van dat besluit (regeling van activiteiten waar mensen last van kunnen hebben, bijvoorbeeld in de omgeving van woonwijken). Dit is ook de lijn die volgt uit de jurisprudentie (zie de lijst hiervoor).
Bijzonderheden zoals hiervoor omschreven onder (c) zijn in deze zaak niet aan de orde.
De conclusie is dat er een gebrek is dat de woning niet geschikt maakt voor normaal gebruik als woonhuis. Dat geldt op het tijdstip van de levering (het relevante moment tussen partijen). De rechtbank gaat bij gebreke van enige onderbouwing voorbij aan het verweer van de zijde van [gedaagde] dat de problemen pas na de levering van de woning ontstaan zijn. De aard van het probleem en het relatief korte tijdpad waarin het zich na de aanschaf geopenbaard heeft, leiden tot de conclusie dat de woning niet beantwoordt aan wat [eisers] op grond van de koopovereenkomst van de woning mocht verwachten. Daarmee is sprake van non conformiteit in de zin van artikel 7:17 BW Pro.
- e) onderzoeksplicht?
- f) eerste verdieping en begane grond
- noodzakelijke werkzaamheden;
- subsidies;
- omgevingsvergunning;
- “nieuw voor oud” en (in het verlengde daarvan) waardestijging van het huis en besparing van energie.
Wat dit laatste punt betreft: de rechtbank verzoekt partijen in het bijzonder in te gaan op (a) de context, aard en omvang van de waardestijging en (b) de redenen waarom de waardestijging wel of niet in aanmerking moet worden genomen bij de begroting van schade, in het licht van jurisprudentie en literatuur.
De rechtbank zal later hierover beslissen.
5.De beslissing
23 november 2022voor akte aan de zijde van [gedaagde] met het hiervoor onder 4.2. en 4.3. omschreven doel, waarna [eisers] een antwoordakte kan nemen op de rol van
21 december 2022;