Vergunninghoudster vroeg een actualisatie van haar natuurvergunning voor een varkenshouderij nabij diverse Natura 2000-gebieden. De aangevraagde situatie betrof het schrappen van nog niet gerealiseerde stallen en een lichte vermindering van het aantal dieren. Eisers stelden beroep in tegen het besluit tot vergunningverlening.
De rechtbank stelde vast dat de referentiesituatie de natuurvergunning uit 2016 was en dat de nog niet gebouwde stallen niet mochten worden meegenomen in de emissieberekeningen. Ook werd geoordeeld dat de transportemissies en veevoerfactoren adequaat waren meegenomen en dat de emissiereductie door combiluchtwassers onvoldoende zekerheid bood, maar dit gebrek zowel in de referentiesituatie als in de aangevraagde situatie aanwezig was.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit onterecht was omdat voor het project geen natuurvergunningplicht bestond volgens artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming zoals na 1 januari 2020. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de aanvraag afgewezen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.