ECLI:NL:RBOBR:2022:5707

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2022
Publicatiedatum
23 december 2022
Zaaknummer
01/242654-21
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 lid 2 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak deelname voortzetting verboden motorclub door dragen kleding en bezit goederen

De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van deelname aan de voortzetting van de werkzaamheden van een bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden motorclub. De tenlastelegging betrof het dragen van kleding en het zichtbaar hebben van goederen die verband houden met deze motorclub, en het rijden op de openbare weg met motorvoertuig voorzien van stickers van de club.

De rechtbank heeft het strafrechtelijk kader van artikel 140 lid 2 Sr Pro betrokken, zoals recent toegelicht door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Dit kader vereist dat de gedraging van de verdachte ten dienste moet staan aan het voortbestaan van de verboden organisatie. De gedraging moet een aandeel hebben in of de voortzetting van de werkzaamheden van de verboden rechtspersoon ondersteunen.

De rechtbank oordeelt dat het enkel dragen van kleding en het zichtbaar hebben van goederen die verband houden met de motorclub, evenals het rijden met een motor met stickers, een ongerichte, individuele gedraging betreft van een voormalig lid. Dit gedrag kan niet worden aangemerkt als deelname aan de voortzetting van de werkzaamheden van de verboden organisatie. Daarom wordt verdachte vrijgesproken.

Daarnaast beveelt de rechtbank de teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan de verdachte, aangezien het bezit van deze goederen niet in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van deelname aan de voortzetting van de verboden motorclub.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 01.242654.21
Datum uitspraak: 23 december 2022
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 december 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 02 november 2022.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 juni 2020 te Eindhoven, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard, namelijk [motorclub 1] , door
- gekleed in een vest waarop op de voorzijde de tekst “ [motorclub 1] ”, “1%” en/of “bad
company” stond vermeld en/of op de achterzijde het logo van [motorclub 1]
- of in elk geval een logo dat (nagenoeg) gelijk was aan of sterk geleek op
dat van [motorclub 1] ,
- gekleed in een t-shirt met het logo van [motorclub 1] - of in elk geval een
logo dat (nagenoeg) gelijk was aan of sterk geleek op dat van [motorclub 1]
en/of de tekst “BF 1% FB” en/of
- met een motorvoertuig met daarop een sticker met het logo van [motorclub 1]
[motorclub 1] - of in elk geval een logo dat (nagenoeg) gelijk was aan of sterk geleek op
dat van [motorclub 1] en/of de tekst “1% [motorclub 2] ”,
over de openbare weg, te weten de Vigliuslaan en/of Catharinaplein, te rijden.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden en de daarop ter zitting van 9 december 2022 gegeven aanvulling, heeft de officier van justitie tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gerekwireerd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging integrale vrijspraak van de verdachte bepleit.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat zij de verdachte daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De verdachte is tenlastegelegd het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheden van de verboden verklaarde organisatie [motorclub 1] door kleding te dragen en zichtbaar goederen bij zich te hebben die verband houden met [motorclub 1] / [motorclub 2] .
[motorclub 1] is bij onherroepelijke beslissing van de Hoge Raad van 24 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:797) verboden verklaard, omdat de werkzaamheid ervan in strijd is met de openbare orde. Het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van [motorclub 1] is daarmee strafbaar en levert een schending van artikel 140 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op. De lokale Nederlandse [motorclub 1] chapters en de wereldwijde tak van [motorclub 1] zijn (tot op heden) niet verboden.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft recent op 12 oktober 2022 een arrest gewezen (ECLI:NL:GHSHE:2022:3486) over het dragen van kleding en het hebben van goederen die verband houden met [motorclub 1] dan wel de lokale Nederlandse [motorclub 1] chapters, en deelname aan de voortzetting van de werkzaamheid van [motorclub 1] . Het gerechtshof geeft in zijn arrest overzichtelijk het strafrechtelijk kader, inclusief wetsgeschiedenis, weer van artikel 140 lid 2 Sr Pro. De rechtbank verwijst naar dit arrest voor dit kader. Het gerechtshof overweegt aan de hand van de wetsgeschiedenis dat het voor de vaststelling of sprake is van de voortzetting van de werkzaamheden van een verboden organisatie, vereist is om te bezien of de gedraging van de verdachte ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Daarbij dien(t)(en) de tenlastegelegde gedraging(en) van de verdachte een aandeel te hebben in, dan wel de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon te ondersteunen, waardoor een verboden organisatie voort gaat op een wijze die in strijd is met de openbare orde. Het gerechtshof concludeert vervolgens:
Het hof acht tegen de achtergrond van hetgeen in het voorgaande is weergegeven(rechtbank: het juridisch kader inclusief wetgeschiedenis van artikel 140 lid 2 Sr Pro)
, ondanks dat volgens de wetgever dienaangaande een ruime uitleg dient te worden gehanteerd, het tenlastegelegde – zijnde het enkel lopen van de verdachte naar de ingang van het gerechtsgebouw, zijnde een publieke ruimte, terwijl hij gekleed is met een baseballpet met een opdruk van het logo en de naam van de [motorclub 1] en een T-shirt met een opdruk van het logo van de [motorclub 1] en de namen [motorclub 1] en Sittard en in het bezit is van een heuptasje met de opdruk BF 1% FB – gezien de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, niet een gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Het uiterlijk vertoon dat bestaat uit het zichtbaar hebben van kleding en goederen dat verband houdt met een verboden en ontbonden organisatie kan wellicht als maatschappelijk onwenselijk worden gezien, te meer omdat het plaatsvond in een publieke ruimte. Maar tegen de achtergrond van met name de in de kamerstukken gegeven voorbeelden van voortzettingsgedragingen zoals opgenomen bij de Wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 2021, 310) – waar volgens het hof (meer) nadrukkelijk de gerichtheid van de genoemde gedragingen ter zake van de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden verklaarde organisatie voorop staat – wordt naar het oordeel van het hof het tenlastegelegde gedrag van de verdachte enkel gezien als een ongerichte, individuele gedraging van een voormalig lid van de inmiddels verboden verklaarde organisatie. Deze gedraging kan volgens het hof echter niet worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie.
Wanneer de rechtbank de overwegingen uit dit arrest toepast op de casus die hier voorligt, komt zij tot het volgende.
De verdachte reed op de openbare weg, in kleding en met een motor met daarop stickers die verband houden met [motorclub 1] / [motorclub 2] . De verdachte reed samen met één vriend, die zelf ook op een motor reed, toen de politie hem aanhield vanwege de voornoemde kleding en stickers. De verdachte was eerder die dag al een keer staande gehouden door de politie vanwege zijn kleding en stickers, maar mocht toen weer doorrijden. Gelet op de aard van voornoemde gedraging en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond, acht de rechtbank dit een ongerichte, individuele gedraging van een voormalig lid van [motorclub 1] . Een dergelijke gedraging kan volgens de rechtbank niet worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van [motorclub 1] .
De rechtbank merkt voor de duidelijkheid nog op dat ook als het zou gaan om het dragen van kleding of het hebben van goederen van [motorclub 1] (en niet (mede) een lokaal [motorclub 1] chapter of [motorclub 2] ), de rechtbank tot vrijspraak zou overgaan. De rechtbank acht de gedraging van de verdachte dan immers nog steeds een ongerichte, individuele gedraging, die niet kan worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van [motorclub 1] .

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte, omdat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde en het (enkele) ongecontroleerde bezit van deze goederen niet in strijd is met de wet of het algemeen belang.

DE UITSPRAAK

BESLISSING:
De rechtbank
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde.

Teruggave van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

3 STK Sticker - [motorclub 1] ;
1. STK Vest - Betreft lederen rocker [motorclub 1] (president);
1. STK Shirt - [motorclub 1] t-shirt,
aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: [verdachte] .
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. W.B. Kok, leden,
in tegenwoordigheid van mr. E.M. Geboers, griffier,
en is uitgesproken op 23 december 2022.
Mr. W.B. Kok is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.