Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , te Veghel, eiseres
Procesverloop
Overwegingen
4 januari 2013 heeft ex-werkneemster zich ziekgemeld. Na een periode van 104 weken arbeidsongeschiktheid (onderbroken door een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg) heeft ex-werkneemster een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Met het besluit van 4 juni 2015 heeft het UWV aan eiseres kenbaar gemaakt dat zij niet voldoende heeft gedaan om haar ex-werkneemster te re-integreren. Eiseres moet daarom het loon van de ex-werkneemster doorbetalen tot
23 juni 2016 (loonsanctie).
23 december 2019 tekenen eiseres en ex-werkneemster een vaststellingsovereenkomst, waarbij het dienstverband wordt beëindigd per 30 december 2019. Verder is in de vaststellingsovereenkomst opgenomen dat eiseres aan ex-werkneemster een transitievergoeding betaalt van € 24.783,00. Hierop heeft eiseres een formulier ‘Aanvraag compensatie voor transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid’ ingediend. Deze aanvraag heeft geleid tot de besluitvorming zoals is opgenomen onder het kopje ‘procesverloop’.
8 november 2019 [1] , het zogenoemde Xella-arrest, verplicht was mee te werken aan beëindiging van het dienstverband.
- De toelichting op het tweede lid van artikel 7:673e staat onder het kopje “beperkingen aan de hoogte van de vergoeding”. Dit vormt een duidelijke aanwijzing dat de wetgever enkel een maximering heeft beoogd (p. 4 van de MvT);
- De reden om geen hoger bedrag aan compensatie te verstrekken dan het bedrag dat verschuldigd zou zijn bij het beëindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst op de dag na het verstrijken van de termijn van twee jaar, bedoeld in artikel 7:670, eerste lid, onderdeel a, van het BW, is er
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat het UWV binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres het betaalde griffierecht van € 354,- vergoedt;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518,-.