ECLI:NL:RBOBR:2023:1486
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en toepassing uitlooptermijn
Eiseres, voormalig financieel en administratief medewerker, heeft meerdere keren een WIA-uitkering aangevraagd, waarbij het UWV telkens heeft vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Na een verslechtering van haar gezondheid in januari 2020 kende het UWV haar een WGA-loonaanvullingsuitkering toe, maar besloot deze per 21 mei 2021 te beëindigen wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage van 20,35%.
Eiseres betwistte deze beoordeling en stelde dat de beperkingen onjuist waren vastgesteld, met name dat een urenbeperking had moeten gelden. Zij verzocht tevens om een langere uitlooptermijn van twee jaar in plaats van zes weken, verwijzend naar artikel 60 lid 3 Wet Pro WIA en jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het UWV handhaafde haar standpunt en baseerde zich op medische en arbeidskundige rapporten.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts de beperkingen overtuigend had gemotiveerd. De urenbeperking werd niet onderbouwd door objectief bewijs. De rechtbank vond dat het UWV terecht artikel 117 Wet Pro WIA toepaste en de uitlooptermijn van zes weken hanteerde, omdat eiseres niet minimaal 35% arbeidsongeschikt was op de datum van de beslissing op bezwaar.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WIA-uitkering per 21 mei 2021 terecht werd beëindigd. De rechtbank wees ook het verzoek om een onafhankelijk deskundige af en vergoedde geen proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 21 mei 2021.