Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 april 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
€ 12.276,- en eiser vindt het onredelijk dat dit bedrag gecorrigeerd wordt vanwege de benodigde seizoensarbeid.
NOW-2 waarin de referentiemaand wordt vastgesteld op maart buiten toepassing moet worden gelaten, overweegt de rechtbank als volgt.
kan[onderstreping door rechtbank] de minister terugvorderen als ten onrechte of tot een te hoog bedrag subsidie is verleend. Gelet op deze formulering – ‘kan terugvorderen’ – is de minister niet verplicht het teveel betaalde bedrag terug te vorderen. Dit houdt in dat de minister bij zijn overwegingen om terug te vorderen verplicht is een belangenafweging te maken, zoals bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Ook op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb, is de minister bevoegd tot terugvordering over te gaan en moet hij een belangenafweging maken. Ter zitting is namens de minister erkend dat deze belangenafweging onvoldoende naar voren komt in de beslissing op bezwaar.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.
mr. M. de Vries, rechters, in aanwezigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2023.