Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de vraag of het UWV de Ziektewetuitkering van eiser op juiste gronden per 13 maart 2021 heeft beëindigd. Na een tussenuitspraak waarin een procedureel gebrek werd vastgesteld vanwege het ontbreken van een spreekuurcontact met de verzekeringsarts B&B, heeft het UWV dit gebrek hersteld door alsnog een medisch onderzoek te verrichten en nadere toelichting te geven.
Eiser voerde aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat de beperkingen onjuist waren beoordeeld, onder meer met betrekking tot urenbeperking, zitten en torderen. De rechtbank oordeelt dat het onderzoek nu wel zorgvuldig is, mede door het fysieke spreekuur en de betrokkenheid van aanvullende medische stukken. De eerdere innerlijke tegenstrijdigheid in de rapportage is naar tevredenheid opgehelderd.
De rechtbank volgt het UWV in de beoordeling van de belastbaarheid en ziet geen aanleiding tot het benoemen van een onafhankelijk deskundige. De arbeidskundige beoordeling bevestigt dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van eiser passen. Omdat eiser met deze functies meer dan 65% van het maatmanloon kan verdienen, is de beëindiging van de uitkering terecht.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens het aanvankelijke gebrek, vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand omdat het gebrek is hersteld. Tevens wordt het griffierecht en een proceskostenvergoeding aan eiser toegekend.