Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
zaak 1met zaaknummer/rolnummer: C/01/351816 / HA ZA 19-695
1.[eiseres 1 in zaak 1] B.V.,
[eiseres 2 in zaak 1] VOF,
1.[gedaagde 1 in zaak 1, eiser 1 in zaak 2] B.V.,
[gedaagde 2 in zaak 1, eiser 2 in zaak 2],
zaak 2met zaaknummer/rolnummer C/01/354658 / HA ZA 20-61
1.[gedaagde 1 in zaak 1, eiser 1 in zaak 2] B.V.,
[gedaagde 2 in zaak 1, eiser 2 in zaak 2],
1.De zaken in het kort
2.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1-18 van mr. [gedaagde in zaak 2] ,
- het comparitievonnis van 1 juni 2022,
- de akte met producties 19-21 van mr. [gedaagde in zaak 2] ,
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 11 april 2023, met daaraan gehecht de spreekaantekeningen van de advocaten,
- de brief van mr. Papeveld van 5 mei 2023 met enkele opmerkingen naar aanleiding van proces-verbaal.
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
uit hoofde van geldleningeen bedrag ter hoogte van de koopprijs schuldig erkent. [eiseres 1 in zaak 1] mocht er daarom vanuit gaan dat hier sprake was van een geldlening. [gedaagden in zaak 1, eisers in zaak 2] betwisten niet dat [eiseres 1 in zaak 1] het concept van de akte eisvermeerdering heeft toegestuurd aan [gedaagde 2 in zaak 1, eiser 2 in zaak 2] en [F] , en dat zij geen van beiden aan [eiseres 1 in zaak 1] hebben laten weten dat het niet zou gaan om een geldlening. Het mailbericht van notaris Jagtenberg van 22 juli 2017 aan [F] , waar [gedaagden in zaak 1, eisers in zaak 2] zich op beroepen, is niet (mede) aan [eiseres 1 in zaak 1] gericht. Bovendien blijkt daaruit niet zonder meer dat van een geldleningsovereenkomst geen sprake is geweest. Dat de vordering van [gedaagde 2 in zaak 1, eiser 2 in zaak 2] op [bedrijfsnaam 2] in de jaarrekening kennelijk is geboekt als vordering in rekening-courant betekent ook niet dat van een geldleningsovereenkomst geen sprake (meer) kon zijn. Door [gedaagden in zaak 1, eisers in zaak 2] is daarom onvoldoende onderbouwd dat en waarom [eiseres 1 in zaak 1] moest weten dat, anders dan in de notariële leveringsakte stond vermeld, van een geldlening geen sprake was. De rechtbank ziet dan ook geen grond om te oordelen dat hier sprake is geweest van een beroepsfout van [eiseres 1 in zaak 1] . Aan de vraag of er schade is geleden komt de rechtbank niet toe.
Geen onderzoek naar herstructurering
De gekozen DCF-waarderingsmethode (afspraak 7)
De gekozen peildatum 15 oktober 2018 (afspraak 6)
De 50-50% kostenverdeling
hoofdelijkeveroordeling van mr. [gedaagde in zaak 2] vorderen (in de dagvaarding was dat nog wel het geval). Dit neemt niet weg dat op grond van artikel 6:6 lid 2 in Pro samenhang met artikel 6:102 BW Pro hier sprake is van hoofdelijkheid.
6.De beslissing
woensdag 13 september 2023voor uitlating door [eiseres 1 in zaak 1] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
bewijsstukkenwil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
getuigenwil laten horen, zij het aantal getuigen dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,